Archive for the ‘prozaïek’ Category

Fuck de revolutie

De laatste dagen van het jaar mistig en mistroostig, de geur van kruitdamp zwaar tussen de huizen van de stad – en nog was de strijd niet gestreden. Ik zag het allemaal, mijn kop tolde topzwaar van alle ontwikkelingen in het land en de wereld. Zien we voor onze ogen het kleine beetje beschaving dat we hebben opgebouwd verkruimelen, nu de horden die de evolutie niet eens konden bijbenen zich laten gebruiken om revolutie te preken – blijkbaar moet alles eerst kapot om wat we hebben op waarde te kunnen schatten. Soms gebeurt het met de beste bedoelingen, ik stond erbij en keek er met verbeten verbazing naar: één kleine omwenteling, en daar stonden mijn eigen kennis en kunde van jaren plotseling in de weg van de vernieuwing – die geen verbetering hoeft te zijn van het bestaande, nieuw zijn is voldoende kwaliteit. Zo gaan die dingen dus, hield ik mezelf voor, de grote én de kleine, het is een kwaal van de tijd en terugkijken op het bijna voorbije jaar was ineens een kille blik op de toekomst.

Bijna liep ik er met open ogen in.

Bijna liet ik me meesleuren in het duistere riool waar de rattenvangers ons graag willen hebben, waar je alleen nog maar problemen en ellende ziet, geen licht, geen lucht. Niet dat de halfbakken ‘oplossingen’ van de haatpredikers ooit de mijne zouden worden, maar het leven in de tunnel maakt murw en moedeloos, tot je bereid bent in elke kort opvlammende lucifer dan maar de zon te zien. Dat nooit.

Zoals vaak was het een mooie samenloop van stom toeval en dom geluk die het perspectief deed schuiven – de laatste avond van het jaar brachten we ongepland door in eigen huis, met eten in familieverband, niet te veel, gewoon prettig genoeg, en fijne gesprekken met buren die we inmiddels vrienden kunnen noemen. Onze kinderen speelden, we staken wat simpel siervuurwerk af, dronken een goed glas wijn en proostten op het nieuwe jaar. De volgende ochtend perste ik sinaasappels, kookte ik eieren en smeerde croissants, en zo ontbeten we tegen het middaguur terwijl we het Nieuwjaarsconcert bekeken, en ik besefte hoe goed we het eigenlijk hebben. En precies daar, op dat moment, werd ik geraakt door de geestdrift van de jonge dirigent Gustavo Dudamel en het geconcentreerde vakmanschap van de orkestleden van de Wiener Philharmoniker en ik zag: dat is het, we zijn allemaal onderdeel van het orkest, het levert alleen maar iets moois op als we ons met grote toewijding richten op ons kleine aandeel in het geheel, als we kunnen laten zien hoe goed het al kan zijn wanneer we de valsspelers de muziek niet steeds laten overstemmen, onderbreken, afbreken, als we ons die flauwekul eens niet laten verkopen als vernieuwing zo lang er geen plan, geen idee, geen visie voor de som der delen achter steekt. En ik weet dat zo’n wensgedachte al snel als verschrikkelijk naïef wordt weggezet, maar ik maak een simpele keuze: ik ga liever ten onder in schoonheid en liefde dan te leven met boosheid en haat. Fuck de revolutie, laten we liever weer werk maken van de evolutie.

 

46

Ik kwam ze veel tegen. Vroeger op school, later bij het uitgaan, op het werk, in de stad, overal eigenlijk. Vreemde wezens die op mensen leken, die zich gemakkelijk bewogen en zelden zwegen, die hun eigen bestaan en aanwezigheid als volkomen vanzelfsprekend beleefden. Ze leefden in een wereld die aardig op de mijne leek, maar die desondanks voor mij gesloten bleef, alsof ik hem door glas bekeek. Ik heb er lang over gedaan, veel te lang misschien en ik weet niet of ik er al ben of ooit helemaal zal komen, maar nu brandt de sleutel soms in mijn zak – ik heb in zesenveertig jaar toch wat geleerd. Als ik me in de wereld der vanzelfsprekenden begeef, zal ik doen alsof ik er altijd al welkom was – de waarheid blijft dat het eeuwig zal voelen of ik me onrechtmatig toegang verschaf.

Nu kun je zien

Nu kun je goed zien hoe weinig er maar nodig is. Een paar grote woorden en een handvol halve. Je lacht die korrels zout in het ragfijne raderwerk weg, denk je, maar dan, ineens, staat de klok stil. De taal van de machtelozen is krachtiger dan het machteloos gebazel van ons achtelozen, we staren ons sneeuwblind op het weldadige wit tussen onze regels en zien niet dat het intussen inktzwart is ingekleurd. En de wijzers van je kapotte klok steken de middelvinger naar je op en dan pas heb je door dat het al lang nacht is. Nu kun je goed zien hoe veel er eigenlijk nodig is.

P.S.

Later, veel later, zie ik de verlichte ramen der nachtbrakers weerspiegeld in het water op de daken, en de katten sluipen tevoorschijn uit hoeken en gaten en sissen en grommen en vechten om te bepalen: wie is morgen nog kater.

Uitstel

Een tintelende herfstochtend, het blauw uit duizend kleuren, de zon zo laag nog dat de kou aan de vingers knaagt. Ik fiets, ik stroom mee in het verkeer van wakkere mensen op weg naar hun werk en stel me voor hoe ik straks, als ik weer aan mijn bureau zit, bergen verzet. Ik bedoel, er moet brood op de plank, en er moet muziek worden gemaakt, albums vol, er moet nog een omvangrijk oeuvre getekend en geschilderd worden, verhalen moeten geschreven worden, met ziedende vaart – en deze ochtend draagt de belofte in zich, de belofte die ik waar kan maken, móet maken. Ik heb een te dunne jas aangetrokken, maar deze kou doet me goed, ik voel de zon nu op mijn rug en mijn schaduw schicht als een vis in het water voor me uit, en het enige wat ik wil is blijven fietsen, blijven fietsen tot het te laat is om nog iets te doen – zodat de belofte vandaag mooi blijft, het falen voor één keer uitgesteld.

Werk

Het is maar werk, het is uiteindelijk maar werk – maar zelfs werk is liefde, of wordt dat vanzelf als je er maar lang genoeg mee bezig bent, als je het wel eens uit de grond van je hart hebt gehaat, als het je niet – zoals vaak – volkomen koud laat, en die liefde is godverdomme geen technische exercitie, geen lijst met één voor één af te strepen onderdelen – dat werk is een heilig weten, kennen, voelen en vooruit willen, het is een gillende chaos waarvan het werkelijke begrip alleen met liefde en pijn te vinden is in de uiterste punten van je synapsen, daar waar het elektrisch is en eeuwig jong, dat werk, die liefde, dat gloeiende rustpunt in een altijd razende en rinkelende kermis die – mind you – met geen PowerPoint te beschrijven is.

Lente

Half september, het hoort herfst te zijn. De kastanjebomen kleuren al rood en roestbruin, maar ik zit in hemdsmouwen buiten in de nacht, pas nu koelt het eindelijk af na de zoveelste zomers hete dag. De gedachten drijven terug naar half mei, toen het ook zulk weer was en ik vrijheid voelde en zeker was van alle plannen die ik al jaren met me meezeul. Alles moest anders – beter, scherper, gedurfder – maar de dagelijkse werkelijkheid is zo weerbarstig als de droom hardnekkig, de keuzes werden in de herfstige zomer minder hard, en nu is het half september en is er nog niets veranderd. Ik neem een voorschot op de volle maan en schenk nog een keer in, en nog een keer, net zo lang tot ik hoog boven alles en iedereen onder de oppervlakte zweef. Er is heel veel veranderd de afgelopen vier maanden – maar vooral ik, en het licht waarin ik de dingen zie. Het is half september, de lente is begonnen en het maanlicht brandt aangenaam koel op mijn huid.

Oogst

Op de laatste dag van de oogstmaand dronken ze champagne. Ze proostten op zichzelf en wat ze hadden bereikt, in hun glazen tintelde voorzichtig het geluk. De opbrengst van een jaar hard werken was nauwelijks waarneembaar, alleen zij zagen hem, weerspiegeld in elkaars ogen. Je kunt er niet van vreten, wisten ze, maar misschien wel van leven – soms is de belangrijkste oogst het nieuw te ontginnen land.

Tijdmachine

Ik reed weg van misschien wel het mooiste festival ter wereld, over de dijk om half twee ‘s nachts. Met een gangetje van vijftig kilometer per uur reed ik onder de brug door die de festivalcamping verbind met het feest dat nog doorging – licht boven de bomen in de achteruitkijkspiegels. Het was een weerzien met oude en nieuwe bekenden, de gesprekken gingen verder waar ze een jaar geleden gebleven waren, de tussentijd teruggebracht tot verwaarloosbaar. Het was een weerzien met geesten uit een bijna grijs verleden dat daar, alleen zwervend tussen duizenden, gisteren leek. Ik gaf gas toen het feest in de spiegels gedoofd was en de dijk voor me donker, niet langer dan de lichtbundels van mijn koplampen. De wijzer van de enige klok die er toe doet kroop omhoog, tachtig, honderd, elke seconde een waagstuk – je gaat er maar vanuit dat er een weg zal zijn, maar weten doe je het niet. Honderdtwintig, honderdveertig. Ik sloot mijn ogen en voelde hoe de wielen zich langzaam losmaakten van het asfalt.

Sterker

Ik droomde me brandschone longen en het lichaam van een oude, tanige god. De littekens in mijn gezicht niet het gevolg van liederlijkheid, maar van strijd – mijn haar, mijn baard een soeverein zilvergrijs. De huid gelooid, de spieren lenig en gewend aan zware arbeid. Ik droomde me op een dag discipline, ik droomde me daadkracht voor het te laat was, ik maakte kilometers, hakte hout, ik schilderde bomen boven mijn macht – schreef alles op wat ik bedacht. Er stroomde wijn door mijn aderen, het maakte me sterker dan veel anderen.