Archive for the ‘prozaïek’ Category

Rex

Iemand moet op mijn lippen bijten
iemand anders dan ikzelf en hard – tot het bloed op het shirt drupt,
inktzwart en in plaats van woorden.

                          Mating season, mating season!

Met meewarige blik op eigen bestaan
loens ik elke goeie kont na – geen borstenman
geen moedercomplex
geen brein geen lichaam geen bloed geen shirt
geen lippen geen woorden –
………………….. steeds minder chaos
……………………steeds meer esthetisch genot
……………………steeds meer geprevel tot de goede god

But The Lizard Brain! But The Lizard Brain!

Fuck het gevecht.
En:
Fuck de overgave.

Bijt mijn lippen stuk en ik stippel een ontsnappingsroute uit
verbind de punten tot een vijfsterrenverblijf in een
labyrint van mijn keuze of, beter nog:
via de versleten campingbistro en het
beeldschone meisje dat er une pression tapt terwijl ze
jou en je gezinspizza’s tot hooguit
kamertemperatuur opwarmt –
o, man
……………………steeds meer overzicht
……………………alleen nog maar esthetisch genot
……………………en ten slotte
……………………alleen nog maar geprevel
……………………tot de goede god

 

Exploded point of view

Ik groeide op tussen de grijnzende karkassen van duizenden auto’s
in achteloze ordening ter weerszijden van uitgeholde zandpaden
onderbroken door slordige stukken asfalt – de glazige blikken blind.

Ik groeide nog op en zag de verbrijzelde voorruit en het bloed donkerbruin
vastgekoekt op het dashboard maar

de stoelen waren nog goed.

Ik groei nog altijd op met mijn hals voor eeuwig vlak boven
de scherpste scherven in het rubber – ik kijk voor eeuwig verwonderd rond
in dit bevroren sterrenstelsel van glas en metaal boven verwrongen motorkap en vangrail –
zo lang ik blijf zweven heb ik de sleutel nog in de hand.

Sleutel dertien.

Pas bij thuiskomst zagen we de opgedroogde druppel bloed
in het gouden velours van de rugleuning maar verder

waren de stoelen nog goed.

Feiten en Fabels III

Je meent te weten dat je geboren bent, je meent te weten dat je bestaat – je hebt een lichaam, of misschien bén je een lichaam, misschien heeft je lichaam jou – misschien ís dat lichaam jou, maar tegen zijn zin – misschien heeft dat lichaam vrij van jou als je slaapt en droomt dat je het niet heb. Als je wakker wordt, trekt het lichaam zichzelf met moeite weer om je heen aan als een stugge oude jas, je merkt het als je in beweging komt.

Je meent te weten dat je bestaat, je meent te weten dat je meer bent dan de som der delen – het vlees, het vet, de botten en het brein, het brein dat je complexer denkt dan je technisch gezien bent – dat naast je fysiek nog een heel fantoomzijn verzint.

Je denkt te weten dat je bent, maar je kunt jezelf je aanwezigheid niet bewijzen – wie weet wat je brein zichzelf wijsmaakt? Waar ben je precies, bén je wel waar – je knijpt hem als een ouwe dief, knijp jezelf nog maar even niet. Misschien neem je alleen in je eigen en in ons brein tijd en ruimte in en besta je nog wat minder dan je zelf weet, als wij je straks weer vergeten – en jij hier nooit zult zijn geweest.

Geschreven voor en voorgedragen op theaterfestival Haags Kabaal, thema Fake News, in Theater De Vaillant, Den Haag op zaterdag 13 april 2019. Met dank aan Iraas Korver en Haags Theaterhuis. 

We maakten een wandeling

We maakten een wandeling, gewoon een eindje het dorp uit, even tussen de kale velden en zilveren bomen door, zilver in het lage zonlicht, niet goud – over het gebarsten asfalt van smalle weggetjes, de sloten nog vol winterwater, het gras dat zich probeert op te richten – in de houtwallen de vers gesnoeide takken van wilgen, de immense kracht die je voelt van de natuur die iets wil, iets móet: leven, onvoorwaardelijk.

We maakten een wandeling, gewoon een klein eindje terug ons leven in, nog niet te ver – mijn moeder, mijn zus en mijn zwager, mijn dame en ik – we genoten van de zon en van de kinderen, die voor ons uit stuiterden en zonder dat ze het wisten voordeden hoe dat moet: leven, onvoorwaardelijk. We liepen en snoven de lentelucht op en lachten soms en veegden dan weer de tranen van onze wangen en sloegen onze jassen open en onze man, vader en opa lachte en huilde mee, snoof de lentelucht op, spreidde zijn machtige armen in de blauwe hemel, de blinkende velden, de zilveren bossen en liet ons, net als nog maar pas geleden en altijd, zien hoe mooi het leven is.

Maandag

Het is maandag, morgen gaat het stormen. Nu is het nagenoeg windstil, een zeldzaamheid aan de kust, maar een stilte voor de storm is het niet. De stad ruist en raast zijn eigen onophoudelijke golven, als altijd – je went eraan of je wordt er langzaam gek van en misschien is dat onderscheid niet eens te maken – maar er is meer gaande, er móet meer gaande zijn. Diep onder de oppervlakte worden we een beweging gewaar, de onrust van een wild dier, gevangen in ieder van ons. Maar wat we voor onszelf slechts durven te denken groeit langzaam uit tot een grommend monster, groot en ontzagwekkend; wat we voor onszelf alleen maar durven te fluisteren zwelt aan tot een stormvloed van geluid waarin de rede als eerste verzuipt, wat we voor onszelf verzwijgen verschijnt op een dag duister en dreigend aan de horizon. Maar nu is het nog maandag – misschien blijft het altijd maandag – en is het windstil. Morgen – altijd morgen – barst de storm los die we niet meer kunnen temmen.

Geloven

Meer rook dan vuur. Meer rook dan vuur en toch de hitte, in ijskoude vlagen. Meer rook dan vuur – fuck het publiek, sluit je ogen en cirkel traag omhoog op de termiek van de podiumlampen tot volledig uit zicht. Houd in de donkere kilte je kop erbij en blijf zweven tegen beter weten in. En moet je soms vallen, val dan als een engel – goed en hard. Gloeiend. Meer rook dan vuur, zo is het toch altijd geweest? Ha, beloftes zijn al gebroken vóór de woorden uit je mond tot waterdamp zijn vervlogen – wat zit er anders op dan in wolken te blijven geloven?

Goed goeder goedst

Ik geef les. Of misschien geeft de les mij, maar niet als een coherent geheel – denkelijk kom ik versnipperd of verstrooid of in op het eerste gezicht niet bij elkaar horende onderdelen – ik zou willen dat ik plug & play en three easy steps maar goed, een mens zullen ze er nog wel in herkennen – als ze zich maar eens zouden verliezen in hun eigen, vreemd fragmentarische film, als ze eens niet hapklaar, behapbaar – als ik ze eens de poëzie van het gestotter, gestamel, het stilvallen, vallen, vallen – een mens, zo immens onmachtig dat zowat heilig – o, ze haperen wel maar dan happen ze niet, ik zal blijven fluisteren tot de trommelvliezen sufgebeukt: doe eens wat minder je best op je best doen – goed is zo verrekte gauw generiek.

48

Wil je een verhaal? We willen allemaal een verhaal. Hier, je flikkert per ongeluk een doos punaises leeg over de versleten parketvloer en daar ga je, je ziet een patroon. In de punaises zelf misschien alleen als je er aanleg voor hebt, maar je ziet het zéker in het laten vallen zelf, dat heb jij weer, en als je een beetje je best doet – dat doe je, je kunt niet anders – vind je zelfs een zin in de pijn van die ene punaise die nu rechtop in je voetzool steekt – dat heeft zo moeten zijn, of het is vast ergens goed voor– iets van die strekking. Verbind de pijnpunten.

Een verhaal? De ochtend van 16 november 2018 begint donker en mistig, in de verte zijn de toppen van de bomen in het Zuiderpark niet meer te zien. Ik raap punaises van de vloer, één voor één, terug in het doosje dat al zo lang als ik me kan herinneren door uitgedroogd plakband bij elkaar wordt gehouden. Ik tel de zegeningen, een voor elk jaar van mijn leven. Achtenveertig. Eén punaise te weinig, maar ik zoek hem niet op. Ik laat het toeval liever niet aan het toeval over, de negenenveertigste punaise duikt ergens dit jaar wel op – als ik een keer nietsvermoedend, gelukkig misschien zelfs, op blote poten door de kamer dans, bijvoorbeeld. Een stekende pijn, een keer vloeken en dan: me gelukkig prijzen, meer kun je niet doen. Zoek geen patronen.

Waar was ik

Waar waxxxxxxxxxgebleven – ik herinner me nog dat ik naar mijn werkplek liep, verzadigd van visioenen die niemand nog had verbeeld – maar dat ging niet lang meer duren, ik was niet bang voor de lege ruimte, ik ging het maken, blanco canvas, verf, metaal, aarde – ik zag de gehavende borstkas van Jezus in een autodak, zijn kop gemaakt van motorblok, hangend aan een rechtopgezet touringcarkarkas, een enorm gewicht aan zijn voeten. Ik durfde alles – wist ik zeker, dacht ik – en toch werd ik afgeleid.

Dit is ongeveer vijfentwintig jaar geleden. Waar was ik

xxxxxxxxxxxxxxxx al die tijd                                          gebleven?

Ik herinner me dat ik afstudeerde aan dezelfde academie waar ik nu les geef en voor elkaar kreeg wat ik mezelf tot dan toe niet had toegedicht – metaal, metaal, billboards, licht en bitumen, een lege ruimte vol en de zoete geur van afgewerkte olie – niet cum laude of iets maar jézus wat fijn om te maken – een parallel universum waar ik voortaan wilde wonen en werken en dat had misschien ook best gekund – ik durfde alles, hoopte ik – maar ik werd afgeleid.

Dit is ruim twintig jaar geleden – waar ben ik

xxxxxxxxxxxxin godsnaam                             gebleven

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxal die jaren

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx hangend aan een zelfgemaakt infuus – druppel voor druppel de angst bezweren, compromisloos gaan voor het compromis – vertel mij niks over een gewicht aan mijn voeten, of een kop als een motorblok, stationair draaiend tot de brandstof op is – vertel me niks over parallelle werelden en de keuzes die we maken – ik heb geen spijt, ik wist wie ik was en wie ik ben, wat ik wilde en wat ik deed, ik dacht gisteren alleen maar, ineens: waar was ik ook al weer

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx gebleven, want daar

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx durf ik – denk ik – nu wel verder.

 

Meters

Hoe ik godverdomme hemel en aarde beweeg om een klein beetje op te schuiven waar ik meters moet maken, meters moet maken – hoe het perspectief nauwelijks verandert, terwijl ik dondersgoed weet van waaraf ik zou willen kijken, zelfs wéét wat ik zou kunnen zien. Wat maak ik mezelf wijs? Misschien ben ik als de kraai die niet weet dat hij een kraai is, maar gewoon is. Misschien noem ik me wel mens, denk ik zelfs te weten dat ik dat ben, maar doet die naam er niet toe en ben ik alleen maar. In de boom naast mijn balkon zit het dier dat ik geleerd heb kraai te noemen naar me te kijken en heeft geen naam nodig voor wat hij ziet bewegen. Als hij zijn vleugels uitslaat en wegvliegt is hij me al vergeten, maakt wel en niet meters, want: zonder het te weten.