Archive for the ‘prozaïek’ Category

Er zijn

Er zijn, heel af en toe, uren die zich onttrekken aan de tijd. Een houten picknicktafel in de onzekere schaduw van een jonge boom, onze blote armen op het vers geschaafde hout, de zon sprenkelt inmiddels zilver in onze haren. Koffie uit papieren bekers op een rood plastic dienblad, een gesprek. We hebben wat in te halen, reizen soms een eind terug in de tijd – al is het verleden na zo veel jaren bijna even onzeker als de nabije toekomst. Wat kun je meer dan je vastklampen aan deze paar uren, op deze plek, in deze stad? Wat kun je meer dan proberen daarvan de beelden te bewaren, heel terloops – een kleine, trage toevoeging aan die toekomstige zwijgende film? En dan later te kunnen zeggen: kijk, we waren er – zó rijk waren we.

Vertraagd

Goed, dan ga ik op zoek. Ik weet niet waar te beginnen, behalve gewoon beginnen, maar ik haat de valse start, ik haat hetzelfde rondje, ik haat terug naar af. Het bloed klopt in de vingers, de ademhaling gejaagd, maar de haast is haast kunstmatig: zodra ik weet hoe wat dan ook zich onder mijn handen gedraagt, wordt de zoektocht gestaakt; ik ken mezelf langer dan vandaag. Ik staar naar de bagageband, de koffer passeert ik weet niet hoe vaak – ik raak hem niet aan, de vlucht oneindig vertraagd.

Heilig

Het Boek. Dat Fucking Boek. Het bestaat niet, of althans – een goeie achtduizend woorden leiden een volstrekt eigen leven, een soort nomadisch, of liever gezegd sporadisch bestaan, heen en weer tussen ergens in mijn hoofd en een precieze plek in een donker, digitaal archief. Af en toe wek ik ze uit hun slaap, maar dan zijn ze suffig en zeggen ze niet meer wat ik wilde dat ze zeiden. De zinnen kloppen nog, de zin is er uit vervlogen; een zekere waanzin die ik zoek hebben ze zelfs nooit bezeten.

Ach, fuck dat boek, dat Heilige Fucking Boek – schrijf gewoon wat je wilt schrijven, neem ik me al net zo heilig voor, kan jou het verrekken hoe dik of hoe dun die stapel papier aan het eind zal blijken te zijn. Maar ik heb geen verhaal. Ik heb alleen woorden en zinnen die afleiden van wat er misschien te halen valt – zo lang ik probeer te vertellen wat ik wil vertellen, grijp ik naast de Heilige Fucking Graal: voor wat ik écht wil zeggen zoek ik domweg nog een taal.

Voor mijn part

Het komt er op aan de woorden zorgvuldig te kiezen. Ik kan ze elk maar één keer goed gebruiken – ik kan ze herhalen als ik wil, eindeloos herhalen, maar de rivier van de tijd stroomt door en geen woord heeft over vijf minuten nog de betekenis die het nu heeft – of net had – elke geprevelde formule verliest met het verlaten van de lippen zijn macht. En dan schrijven – laffe neerslag van wat ergens, ver, ver weg in mijn botte kop de verwoesting aanricht die ik in al mijn vezels voel, die ik had bedacht – op papier in prachtige dwarreling ontkracht. Ik kan de woorden maar één keer ten volle gebruiken, één kans heb ik om te richten, één kans om te raken – maar jij, de ontvanger, alleen jij voelt wat jij graag wilt dat ik bedoel: een schot hagel in je toch al zware hart – voor mijn part.

Beloof me

Beloof me dat ik nooit meer drink – of beloof me althans dat ik niet meer drink wat ik dronk, vertel me niet steeds dat ik scherper schreef toen ik nog droomde, dronken van zo veel meer nog dan drank. Maak me niet wijs dat ik een beter mens ben nu het weken vergt om eerlijk te zijn, lieg me liever voor dat het me geen jaren van mijn leven heeft gekost.

Ik snijd met honderdtwintig kilometer per uur achterwaarts door een ijzig landschap, de velden, de akkers, het laatste gebladerte wit van rijp, de voorzichtige, lange schaduwen van een bij opkomst al oude zon. Ik vlieg langs de huizen, de tuinen, bedrijventerreinen met parkeerplaatsen, langs parken en plantsoenen, de mensen, wandelend of op de fiets, over paden, langs hekken – over elk hek, elk pad, elke tuin is nagedacht, elke sloot door iemand gegraven, elke stoeprand, elke tegel, elke steen ooit door een mensenhand op de plek gelegd. Al die kleine ordeningen, ze beteugelen met pijn en moeite de chaos op de eigen vierkante meter, maar in de verzameling ervan raast nog steeds en grijnzend het toeval rond. Het stelt me gerust, ik heb de tijd, de film buiten het treinraam tot draaglijke lengte vertraagd.

Beloof me dat ik niets meer verlang – of beloof me althans dat ik verlangen niet langer met verwachting verwar. Jaag me door de kou, dans me door de dagen, proost af en toe met me op de schitterende chaos en stel niet zo veel vragen.

Onscherpte

Verlies twee seconden je scherpte en je bent tien, twintig jaar verder. Ergens onderweg sneed je, onbedoeld maar toch, twee, of drie, of zeven mensen door de ziel – in de spiegel herken je om de een of andere reden nog steeds je kop, maar in de pijn van anderen pas het kind dat je altijd bent gebleven. En toch zit je hier, aan een hoge tafel op het strand, poten in het zand, en je weet niet waaraan je het verdiend hebt maar je verzint wel iets. Drank en voedsel met uitzicht op zee, je veegt het vet van je kin en heft het glas op elke vergissing waarmee tot nu toe iets beters begon. En soms twijfel je of de toekomst je wel toekomt, tenzij je wat van de ziel terug kunt geven die je in tien, twintig jaar, die twee seconden van onscherpte, bij elkaar gestolen hebt.

Gasterop

Doodsangst op een stikdonkere dijk staat gelijk aan levensdrift – denk ik. Strak tachtig op de klok en mikkend tussen de lijnen, en toch: niet langer verblind, verleid, door koplampen in de achteruitkijkspiegel. Het was een mooi feest, meer dan fantastisch zelfs – maar we mogen niet blijven steken in de van drank doortrokken polderdrek, de zevenmijlslaarzen zijn uit de zuigende zomp getrokken, de klauwen klaar voor nieuwe klei. In het oosten grijnst voorzichtig de nieuwe dag, ik trap het pedaal naar de bodem van de Opel, de 1.6 grimlacht ook en drukt even de stoel in mijn rug. Always crashing / in the same car, klaagt de geest van Bowie uit de speakers, maar ik stel hem gerust: die dagen zijn voorbij. Gasterop!

Curve

Wacht, laat ik het anders zeggen. Het is een schitterende curve, die neergaande lijn – soms wil je hem niet onderbreken, gewoon, om te zien waar hij eindigt. Stopt het bij nul, of glijdt hij langzaam verder in de min? Misschien stel je uit net zo veel noodzaak als nieuwsgierigheid het nulpunt oneindig bij, zodat je de bodem nooit hoeft te zien?
Ja maar, dit is geen dag voor dat soort gedachten, zeggen de geleerden – kijk! het is zondag, de zomer is begonnen, de auto is gewassen, tuinstoel in de schaduw, een koel glas witte wijn! Hoera, godverdomme!
Ze hebben gelijk, de geleerden. Zo slecht gaat het al met al niet, je neemt nog een toastje met zalm en spoelt het weg, je zakt nog wat zwaarder in je stoel. Je bent wel eens rijker geweest, maar nog nooit was je zo wakker; nog nooit wist je zo goed wat je deed – dat je maar wat doet, net als iedereen. Nee, zo slecht gaat het niet met je, de bodem is nog lang niet in zicht.
Maar wacht – voordat je denkt dat het over mij gaat: wie zegt dat? De geleerden? Ze weten niks! Niks weten ze, en ik maak ze niet wijzer. Ik heb geen nulpunt, ik bén het, ik kijk die schitterende curve van je na, de afgrond in. Met mij gaat het goed. Ik heb mijn eigen klauw klem om mijn strot en laat niet meer los.

Beter

Het moet beter, in elk denkbaar opzicht beter, zoals altijd alles beter moet. De wereld, de ziel, de zorgen en de schrijfsels – ze helpen elkaar niet vooruit dezer dagen; de woorden gaan maar rond, steeds dezelfde woorden, steeds sneller sleets, betekenisloos en bleek. Alles moet beter en ik heb altijd gezegd dat we in het interbellum leven, het was een kwestie van tijd voordat mannen overal ter wereld vooral weer piklengte zouden laten spreken, door monosyllabici aan de macht gebracht – twijfel is verraad, zorgvuldigheid verdacht. De woorden gaan maar rond, steeds dezelfde woorden, retro-retoriek in eindeloze herhaling en zie: de filosofie van voor en achter door fallici verkracht, de donkerste nacht vervangt sluipenderwijs de werkelijkheid van alledag. Alles moet beter, in elk denkbaar opzicht beter – maar wat zou ik nog met woorden, als er geen ruimte meer is om te dromen? De wereld, de ziel, de zorgen en het schrijven – ze hebben elkaar nodig, zelfs meer dan ik ooit had verwacht.

Tekenend

Ik zie het voor me. Ik zie voor me hoe het wordt, de ondergrond een transparante laag inkt in warm grijsblauw, waarover een woeste kwast wit en dan de lijnen – trefzeker zoekend, perfect aarzelende krommingen in siberisch krijt, van fluweelzacht naar hard en gruizig zwart, de suggestie van armen, lijf, benen, vingers, vleugels – tot ik de engel zie, of de duivel, dat is moeilijk te zeggen. De tekening bestaat al, mijn handen hoeven hem alleen nog maar te maken. Die handen – die vervloekte lemen handen, loodzwaar langs dit lichaam, machteloos onder het geweld van maagdelijk wit. Ik zie de engel, maar die smerige, verkoolde vingers verkruimelen bij de minste beroering. Ik berg kwast en krijt op. De engel lacht. De duivel wint.