Archive for the ‘prozaïek’ Category

Onscherpte

Verlies twee seconden je scherpte en je bent tien, twintig jaar verder. Ergens onderweg sneed je, onbedoeld maar toch, twee, of drie, of zeven mensen door de ziel – in de spiegel herken je om de een of andere reden nog steeds je kop, maar in de pijn van anderen pas het kind dat je altijd bent gebleven. En toch zit je hier, aan een hoge tafel op het strand, poten in het zand, en je weet niet waaraan je het verdiend hebt maar je verzint wel iets. Drank en voedsel met uitzicht op zee, je veegt het vet van je kin en heft het glas op elke vergissing waarmee tot nu toe iets beters begon. En soms twijfel je of de toekomst je wel toekomt, tenzij je wat van de ziel terug kunt geven die je in tien, twintig jaar, die twee seconden van onscherpte, bij elkaar gestolen hebt.

Gasterop

Doodsangst op een stikdonkere dijk staat gelijk aan levensdrift – denk ik. Strak tachtig op de klok en mikkend tussen de lijnen, en toch: niet langer verblind, verleid, door koplampen in de achteruitkijkspiegel. Het was een mooi feest, meer dan fantastisch zelfs – maar we mogen niet blijven steken in de van drank doortrokken polderdrek, de zevenmijlslaarzen zijn uit de zuigende zomp getrokken, de klauwen klaar voor nieuwe klei. In het oosten grijnst voorzichtig de nieuwe dag, ik trap het pedaal naar de bodem van de Opel, de 1.6 grimlacht ook en drukt even de stoel in mijn rug. Always crashing / in the same car, klaagt de geest van Bowie uit de speakers, maar ik stel hem gerust: die dagen zijn voorbij. Gasterop!

Curve

Wacht, laat ik het anders zeggen. Het is een schitterende curve, die neergaande lijn – soms wil je hem niet onderbreken, gewoon, om te zien waar hij eindigt. Stopt het bij nul, of glijdt hij langzaam verder in de min? Misschien stel je uit net zo veel noodzaak als nieuwsgierigheid het nulpunt oneindig bij, zodat je de bodem nooit hoeft te zien?
Ja maar, dit is geen dag voor dat soort gedachten, zeggen de geleerden – kijk! het is zondag, de zomer is begonnen, de auto is gewassen, tuinstoel in de schaduw, een koel glas witte wijn! Hoera, godverdomme!
Ze hebben gelijk, de geleerden. Zo slecht gaat het al met al niet, je neemt nog een toastje met zalm en spoelt het weg, je zakt nog wat zwaarder in je stoel. Je bent wel eens rijker geweest, maar nog nooit was je zo wakker; nog nooit wist je zo goed wat je deed – dat je maar wat doet, net als iedereen. Nee, zo slecht gaat het niet met je, de bodem is nog lang niet in zicht.
Maar wacht – voordat je denkt dat het over mij gaat: wie zegt dat? De geleerden? Ze weten niks! Niks weten ze, en ik maak ze niet wijzer. Ik heb geen nulpunt, ik bén het, ik kijk die schitterende curve van je na, de afgrond in. Met mij gaat het goed. Ik heb mijn eigen klauw klem om mijn strot en laat niet meer los.

Beter

Het moet beter, in elk denkbaar opzicht beter, zoals altijd alles beter moet. De wereld, de ziel, de zorgen en de schrijfsels – ze helpen elkaar niet vooruit dezer dagen; de woorden gaan maar rond, steeds dezelfde woorden, steeds sneller sleets, betekenisloos en bleek. Alles moet beter en ik heb altijd gezegd dat we in het interbellum leven, het was een kwestie van tijd voordat mannen overal ter wereld vooral weer piklengte zouden laten spreken, door monosyllabici aan de macht gebracht – twijfel is verraad, zorgvuldigheid verdacht. De woorden gaan maar rond, steeds dezelfde woorden, retro-retoriek in eindeloze herhaling en zie: de filosofie van voor en achter door fallici verkracht, de donkerste nacht vervangt sluipenderwijs de werkelijkheid van alledag. Alles moet beter, in elk denkbaar opzicht beter – maar wat zou ik nog met woorden, als er geen ruimte meer is om te dromen? De wereld, de ziel, de zorgen en het schrijven – ze hebben elkaar nodig, zelfs meer dan ik ooit had verwacht.

Tekenend

Ik zie het voor me. Ik zie voor me hoe het wordt, de ondergrond een transparante laag inkt in warm grijsblauw, waarover een woeste kwast wit en dan de lijnen – trefzeker zoekend, perfect aarzelende krommingen in siberisch krijt, van fluweelzacht naar hard en gruizig zwart, de suggestie van armen, lijf, benen, vingers, vleugels – tot ik de engel zie, of de duivel, dat is moeilijk te zeggen. De tekening bestaat al, mijn handen hoeven hem alleen nog maar te maken. Die handen – die vervloekte lemen handen, loodzwaar langs dit lichaam, machteloos onder het geweld van maagdelijk wit. Ik zie de engel, maar die smerige, verkoolde vingers verkruimelen bij de minste beroering. Ik berg kwast en krijt op. De engel lacht. De duivel wint.

Brekend

Laat me met rust. Laat me godverdomme met rust! Maar ik laat me niet met rust, ik lees alles, weet alles, ik hang aan een infuus, het nieuws druppelt – trump – trump – trump – trump – de bloedbaan tot informatiestroom, het brein op barsten en hoe meer ik lees, hoe scherper het besef dat ik nooit genoeg zal weten – hoe meer ik vreet, hoe groter de honger en de machine blijft maar berichten braken, bitesize en berekenend, elk woord kan een waarschuwing zijn, elke grap de grimmige waarheid, elke waarheid een grimmige grap – en de waarheid is voor ieder van ons een andere, maar de werkelijkheid is voor allen gelijk: we zijn broos, we zijn brekend, we zijn bang – maar het gewone leven herneemt zich steeds maar weer en een gelukzalige berusting daalt in me neer als ik in de supermarkt prijs en kwaliteit van zeven kleuren schijtpapier vergelijk.

Stappenteller

Op de heenweg nog niet, nuchter in de vrieskou, met elke stap de aandacht op iets anders – vanaf de achterkant van het station linksaf langs het IJ zeker twintig verschillende soorten bestrating en brugbedekking tot aan mijn bestemming, een nieuwjaarsborrel. Het is er druk en vol. Er is champagne, ik proost, schud wat handen, knik belangstellend en instemmend, veins verrassing waar het maar kan. Dienbladen met amuses zweven langs, je spreekt niet met volle mond, van de wijn nip je, het gaat al met al heel aardig. Maar een groep mensen is een levend organisme, na een half uur heeft het me naar de buitenkant gewerkt, zoals het oog een ongerechtigheid met onwillekeurige bewegingen naar de ooghoek drijft. Het zal het tweede glas wijn zijn – op de weg terug naar het station hoor ik elke stap die ik zet, de hakken van mijn laarzen kaatsen klanken over de klinkers en kasseien, klinken hol op bruggen en in de stationshal – al die stappen terug, de hele weg ongedaan gemaakt – ik hoor ze, maar ik tel ze niet.

Wit

Weinig mooier dan ‘s nachts naar het sneeuwen kijken, zo licht dat je er een boek bij kunt lezen, de stad om je heen zo stil als het wit tussen de woorden.

Spiegels

Ik ben met mijn dochters in Duitsland, bij mijn ouders. In het huis hangen veel spiegels. Het is een groot huis met veel logeerkamers, op elke kamer hangt wel een spiegel waarin je jezelf bijna helemaal kunt zien, ik denk aan het woord Ganzkörperspiegel. Beneden hangen er ook een paar, zij het wat kleinere en iets hoger aan de muur, daarin ben ik alleen mijn ouwe kop. Mijn ouders zijn niet ijdel, het zijn stuk voor stuk mooi vormgegeven spiegels uit de jaren dertig tot zestig, het gaat ze om de esthetiek en het ruimtelijk effect. Zo kom ik mezelf hier de hele dag tegen, mijn schim waart rond langs de muren – toch, in dit huis zie ik mezelf het scherpst in mijn ouders en mijn dochters.

Fuck de revolutie

De laatste dagen van het jaar mistig en mistroostig, de geur van kruitdamp zwaar tussen de huizen van de stad – en nog was de strijd niet gestreden. Ik zag het allemaal, mijn kop tolde topzwaar van alle ontwikkelingen in het land en de wereld. Zien we voor onze ogen het kleine beetje beschaving dat we hebben opgebouwd verkruimelen, nu de horden die de evolutie niet eens konden bijbenen zich laten gebruiken om revolutie te preken – blijkbaar moet alles eerst kapot om wat we hebben op waarde te kunnen schatten. Soms gebeurt het met de beste bedoelingen, ik stond erbij en keek er met verbeten verbazing naar: één kleine omwenteling, en daar stonden mijn eigen kennis en kunde van jaren plotseling in de weg van de vernieuwing – die geen verbetering hoeft te zijn van het bestaande, nieuw zijn is voldoende kwaliteit. Zo gaan die dingen dus, hield ik mezelf voor, de grote én de kleine, het is een kwaal van de tijd en terugkijken op het bijna voorbije jaar was ineens een kille blik op de toekomst.

Bijna liep ik er met open ogen in.

Bijna liet ik me meesleuren in het duistere riool waar de rattenvangers ons graag willen hebben, waar je alleen nog maar problemen en ellende ziet, geen licht, geen lucht. Niet dat de halfbakken ‘oplossingen’ van de haatpredikers ooit de mijne zouden worden, maar het leven in de tunnel maakt murw en moedeloos, tot je bereid bent in elke kort opvlammende lucifer dan maar de zon te zien. Dat nooit.

Zoals vaak was het een mooie samenloop van stom toeval en dom geluk die het perspectief deed schuiven – de laatste avond van het jaar brachten we ongepland door in eigen huis, met eten in familieverband, niet te veel, gewoon prettig genoeg, en fijne gesprekken met buren die we inmiddels vrienden kunnen noemen. Onze kinderen speelden, we staken wat simpel siervuurwerk af, dronken een goed glas wijn en proostten op het nieuwe jaar. De volgende ochtend perste ik sinaasappels, kookte ik eieren en smeerde croissants, en zo ontbeten we tegen het middaguur terwijl we het Nieuwjaarsconcert bekeken, en ik besefte hoe goed we het eigenlijk hebben. En precies daar, op dat moment, werd ik geraakt door de geestdrift van de jonge dirigent Gustavo Dudamel en het geconcentreerde vakmanschap van de orkestleden van de Wiener Philharmoniker en ik zag: dat is het, we zijn allemaal onderdeel van het orkest, het levert alleen maar iets moois op als we ons met grote toewijding richten op ons kleine aandeel in het geheel, als we kunnen laten zien hoe goed het al kan zijn wanneer we de valsspelers de muziek niet steeds laten overstemmen, onderbreken, afbreken, als we ons die flauwekul eens niet laten verkopen als vernieuwing zo lang er geen plan, geen idee, geen visie voor de som der delen achter steekt. En ik weet dat zo’n wensgedachte al snel als verschrikkelijk naïef wordt weggezet, maar ik maak een simpele keuze: ik ga liever ten onder in schoonheid en liefde dan te leven met boosheid en haat. Fuck de revolutie, laten we liever weer werk maken van de evolutie.