Archive for the ‘prozaïek’ Category

Meters

Hoe ik godverdomme hemel en aarde beweeg om een klein beetje op te schuiven waar ik meters moet maken, meters moet maken – hoe het perspectief nauwelijks verandert, terwijl ik dondersgoed weet van waaraf ik zou willen kijken, zelfs wéét wat ik zou kunnen zien. Wat maak ik mezelf wijs? Misschien ben ik als de kraai die niet weet dat hij een kraai is, maar gewoon is. Misschien noem ik me wel mens, denk ik zelfs te weten dat ik dat ben, maar doet die naam er niet toe en ben ik alleen maar. In de boom naast mijn balkon zit het dier dat ik geleerd heb kraai te noemen naar me te kijken en heeft geen naam nodig voor wat hij ziet bewegen. Als hij zijn vleugels uitslaat en wegvliegt is hij me al vergeten, maakt wel en niet meters, want: zonder het te weten.

Tast

Ik probeer het te verdringen, verdrinken soms – tot ik achter een raam aan de overkant een schim langs een fel verlicht tv-scherm zie schieten, tot op een ver balkon een jonge vrouw met zorg witte lakens aan een waslijn hangt, of ergens zonlicht flitsend weerkaatst in een keukendeur die wordt geopend: om me heen, onder al die duizenden daken al die levens van al die mensen te weten is op sommige dagen slecht te verdragen. Je weet te veel of juist te weinig, behalve dat iedereen het genadeloze centrum van zijn eigen wereld is – net als jij. Het meisje van de tandartspraktijk staat vaker buiten te bellen en te roken dan dat ze aan het werk is, of zo lijkt het, zeker weten doe ik het niet. De kleine kinderen van achterburen springen op het ouderlijk bed – misschien doen ze het stiekem, misschien mag het gewoon, ik heb geen idee. Onze onderburen schreeuwen en smijten met deuren, ik kan niet eens vaststellen of het weer ruzie is of een keer een feestje – ergens roept een meisje au, een hond blaft, als paniek uitblijft hoorde ik blijkbaar niet wat ik dacht. Ik kijk, ik luister, zonder te weten wat ik hoor en zie – alles gaat op de tast, ook overdag.

Uitzicht van een expat

Later als ik groot ben en het zilver door mijn dunne haar stroomt, zoals het nu nog slechts hier en daar glinstert op mijn ongeschoren kin – later, als de hartslag trager kan en ik niet meer zo nodig ben, alleen nog maar gewild – als de onrust zich misschien vertaald heeft in een ontspannen vitaliteit, de lyriek verruild is voor beschouwelijkheid – als het spreken, meer nog dan nu, heeft plaatsgemaakt voor luisteren – naar mensen, maar vooral naar de dingen, als het kijken is veranderd in zien – dan kun je er donder op zeggen dat ik de loterij heb gewonnen.

Ik heb het niet over geld. Natuurlijk, dat zou een fijne bijkomstigheid zijn, maar ik heb het over rust en ruimte in de kop – die schitterende illusie. En toch. Terwijl ik dit schrijf, hier op het balkon van mijn kleine huis in Den Haag, het is een mooie avond, dwalen mijn gedachten af. In het lied van de merels in de binnentuinen hoor ik het weelderige landschap dat ik in mijn jeugd bijna dagelijks zag, in het zilte schemerlicht op de gevels van de huizen zie ik een zwakke echo van de zwoele, Twentse zomeravonden; de melancholische jazz van deze prachtige stad aan zee legt het soms dan toch af tegen de stille poëzie van het gestaag stromende Twentse land. Dat is alvast één lot uit de loterij: uitzicht op rust en ruimte, hoe ver ook hier vandaan – altijd in de kop, altijd bij de hand.

Eerder verschenen in het zomernummer van Zilver – gratis magazine voor de Twentse 65-plusser.

Misschien (verhaaltje voor het slapengaan)

Misschien weet je alles al, misschien heb je het licht al talloze malen gezien – in de ongebreidelde wildgroei van een bos, in een rokerige kroeg, dat maakt niet uit – misschien wist je wat je te doen stond toen de gitarist van die ene band dat ene akkoord aansloeg, drumde je de fill met onzichtbare stokken mee in de lucht, misschien realiseerde je je pas ten volle, toen je je omringd wist door oneindig voortlevend leven – de traagheid van de bomen, het blad, de nerven, de kracht – de vogels, de veren en snavels, de dertig keer sneller pompende harten, het dertig keer kortere leven – de kevers, het mos, de schimmels, vretend en verterend, voedsel verschaffend aan volgende generaties, slechts dagen later – misschien realiseerde je je toen dat je er alleen voor stond, met maar één kans, en dat je het desondanks samen moest zien te rooien. Misschien sleur je je gitaar en je vintage buizenversterker al elke week in een busje, misschien help je je drummer met die loodzware kist vol bekkenstandaards – misschien háát je je beste vrienden al na eindeloos veel uren in het oefenhok, die amechtige herhaling van zetten en zelden iets nieuws, uren waarin het ze nooit lukt te vinden wat jij zoekt, onmachtig als je bent om het in woorden, laat staan akkoorden om te zetten – dat licht, die vertraagde groene bloedbanen, dat versnelde hart, dat vreten en verteren, de geur van iets anders dan bier en sigarettenrook – of juist het zware en zwarte, het ware, het vreten en gevreten worden, verteerd door de ongerichte wilskracht van de dromer, ja jij – all Tarzan and no Jane, all Tarzan and no Jesus, no She-sus – en daar lig je dan, te wachten tot je fucking luchtbed leviteert of juist alles om je heen, dat maakt niks uit zo lang het maar beweegt, liever stuurloos dan roerloos, het moet ergens naar toe, ergens heen waar het hart dertig keer sneller slaat en dertig keer langer leeft, waar je nog honger krijgt van wat aan je vreet, het moet nu, nu je nog licht geeft – nu, nu je alles nog weet.

Eerder verschenen in de vrijdageditie nr. 3 van Het Gat, losbladig festivalmagazine voor Down The Rabbit Hole, 29 juni 2018.

Er zijn

Er zijn, heel af en toe, uren die zich onttrekken aan de tijd. Een houten picknicktafel in de onzekere schaduw van een jonge boom, onze blote armen op het vers geschaafde hout, de zon sprenkelt inmiddels zilver in onze haren. Koffie uit papieren bekers op een rood plastic dienblad, een gesprek. We hebben wat in te halen, reizen soms een eind terug in de tijd – al is het verleden na zo veel jaren bijna even onzeker als de nabije toekomst. Wat kun je meer dan je vastklampen aan deze paar uren, op deze plek, in deze stad? Wat kun je meer dan proberen daarvan de beelden te bewaren, heel terloops – een kleine, trage toevoeging aan die toekomstige zwijgende film? En dan later te kunnen zeggen: kijk, we waren er – zó rijk waren we.

Vertraagd

Goed, dan ga ik op zoek. Ik weet niet waar te beginnen, behalve gewoon beginnen, maar ik haat de valse start, ik haat hetzelfde rondje, ik haat terug naar af. Het bloed klopt in de vingers, de ademhaling gejaagd, maar de haast is haast kunstmatig: zodra ik weet hoe wat dan ook zich onder mijn handen gedraagt, wordt de zoektocht gestaakt; ik ken mezelf langer dan vandaag. Ik staar naar de bagageband, de koffer passeert ik weet niet hoe vaak – ik raak hem niet aan, de vlucht oneindig vertraagd.

Heilig

Het Boek. Dat Fucking Boek. Het bestaat niet, of althans – een goeie achtduizend woorden leiden een volstrekt eigen leven, een soort nomadisch, of liever gezegd sporadisch bestaan, heen en weer tussen ergens in mijn hoofd en een precieze plek in een donker, digitaal archief. Af en toe wek ik ze uit hun slaap, maar dan zijn ze suffig en zeggen ze niet meer wat ik wilde dat ze zeiden. De zinnen kloppen nog, de zin is er uit vervlogen; een zekere waanzin die ik zoek hebben ze zelfs nooit bezeten.

Ach, fuck dat boek, dat Heilige Fucking Boek – schrijf gewoon wat je wilt schrijven, neem ik me al net zo heilig voor, kan jou het verrekken hoe dik of hoe dun die stapel papier aan het eind zal blijken te zijn. Maar ik heb geen verhaal. Ik heb alleen woorden en zinnen die afleiden van wat er misschien te halen valt – zo lang ik probeer te vertellen wat ik wil vertellen, grijp ik naast de Heilige Fucking Graal: voor wat ik écht wil zeggen zoek ik domweg nog een taal.

Voor mijn part

Het komt er op aan de woorden zorgvuldig te kiezen. Ik kan ze elk maar één keer goed gebruiken – ik kan ze herhalen als ik wil, eindeloos herhalen, maar de rivier van de tijd stroomt door en geen woord heeft over vijf minuten nog de betekenis die het nu heeft – of net had – elke geprevelde formule verliest met het verlaten van de lippen zijn macht. En dan schrijven – laffe neerslag van wat ergens, ver, ver weg in mijn botte kop de verwoesting aanricht die ik in al mijn vezels voel, die ik had bedacht – op papier in prachtige dwarreling ontkracht. Ik kan de woorden maar één keer ten volle gebruiken, één kans heb ik om te richten, één kans om te raken – maar jij, de ontvanger, alleen jij voelt wat jij graag wilt dat ik bedoel: een schot hagel in je toch al zware hart – voor mijn part.

Beloof me

Beloof me dat ik nooit meer drink – of beloof me althans dat ik niet meer drink wat ik dronk, vertel me niet steeds dat ik scherper schreef toen ik nog droomde, dronken van zo veel meer nog dan drank. Maak me niet wijs dat ik een beter mens ben nu het weken vergt om eerlijk te zijn, lieg me liever voor dat het me geen jaren van mijn leven heeft gekost.

Ik snijd met honderdtwintig kilometer per uur achterwaarts door een ijzig landschap, de velden, de akkers, het laatste gebladerte wit van rijp, de voorzichtige, lange schaduwen van een bij opkomst al oude zon. Ik vlieg langs de huizen, de tuinen, bedrijventerreinen met parkeerplaatsen, langs parken en plantsoenen, de mensen, wandelend of op de fiets, over paden, langs hekken – over elk hek, elk pad, elke tuin is nagedacht, elke sloot door iemand gegraven, elke stoeprand, elke tegel, elke steen ooit door een mensenhand op de plek gelegd. Al die kleine ordeningen, ze beteugelen met pijn en moeite de chaos op de eigen vierkante meter, maar in de verzameling ervan raast nog steeds en grijnzend het toeval rond. Het stelt me gerust, ik heb de tijd, de film buiten het treinraam tot draaglijke lengte vertraagd.

Beloof me dat ik niets meer verlang – of beloof me althans dat ik verlangen niet langer met verwachting verwar. Jaag me door de kou, dans me door de dagen, proost af en toe met me op de schitterende chaos en stel niet zo veel vragen.

Onscherpte

Verlies twee seconden je scherpte en je bent tien, twintig jaar verder. Ergens onderweg sneed je, onbedoeld maar toch, twee, of drie, of zeven mensen door de ziel – in de spiegel herken je om de een of andere reden nog steeds je kop, maar in de pijn van anderen pas het kind dat je altijd bent gebleven. En toch zit je hier, aan een hoge tafel op het strand, poten in het zand, en je weet niet waaraan je het verdiend hebt maar je verzint wel iets. Drank en voedsel met uitzicht op zee, je veegt het vet van je kin en heft het glas op elke vergissing waarmee tot nu toe iets beters begon. En soms twijfel je of de toekomst je wel toekomt, tenzij je wat van de ziel terug kunt geven die je in tien, twintig jaar, die twee seconden van onscherpte, bij elkaar gestolen hebt.