Archive for the ‘from the observation deck’ Category

Feiten en Fabels III

Je meent te weten dat je geboren bent, je meent te weten dat je bestaat – je hebt een lichaam, of misschien bén je een lichaam, misschien heeft je lichaam jou – misschien ís dat lichaam jou, maar tegen zijn zin – misschien heeft dat lichaam vrij van jou als je slaapt en droomt dat je het niet heb. Als je wakker wordt, trekt het lichaam zichzelf met moeite weer om je heen aan als een stugge oude jas, je merkt het als je in beweging komt.

Je meent te weten dat je bestaat, je meent te weten dat je meer bent dan de som der delen – het vlees, het vet, de botten en het brein, het brein dat je complexer denkt dan je technisch gezien bent – dat naast je fysiek nog een heel fantoomzijn verzint.

Je denkt te weten dat je bent, maar je kunt jezelf je aanwezigheid niet bewijzen – wie weet wat je brein zichzelf wijsmaakt? Waar ben je precies, bén je wel waar – je knijpt hem als een ouwe dief, knijp jezelf nog maar even niet. Misschien neem je alleen in je eigen en in ons brein tijd en ruimte in en besta je nog wat minder dan je zelf weet, als wij je straks weer vergeten – en jij hier nooit zult zijn geweest.

Geschreven voor en voorgedragen op theaterfestival Haags Kabaal, thema Fake News, in Theater De Vaillant, Den Haag op zaterdag 13 april 2019. Met dank aan Iraas Korver en Haags Theaterhuis. 

Een schitterende paradox

Het is makkelijk, al te makkelijk, om de verkiezingswinst van een openlijk antidemocratische en racistische politieke partij op de kortzichtigheid van de kiezers te schuiven. Kiezers die niet kiezen wat jij kiest kun je niks verwijten, tenzij je je eigen antidemocratische neigingen ook lekker de vrije loop laat. Mea culpa, derhalve.

We hebben verhalen nodig, dat moge duidelijk zijn. Of beter nog: een verhaal, om chocola te maken van de warboel waar we ons dagelijks doorheen prutsen. We doen maar wat; en is die gedachte voor het grote geheel nog wel te behappen, op persoonlijk niveau is het moeilijk te verteren dat het leven een vrij zinloze dwaaltocht is. Elk enigszins aannemelijk verhaal helpt om het draaglijk te maken. Een slecht verhaal is nog beter dan geen verhaal, dat blijkt keer op keer.

De kortzichtigheid zit in iedereen, kiezers en gekozenen, maar de gekozenen neem ik het écht kwalijk – het gebrek aan een goed verhaal, of een verhaal überhaupt. Ik verwijt onze progressieve politici hun onvermogen, hun angst om simpelweg hun dromen te delen of, als ze die dromen niet meer hebben voor iedereen, dat ze zich nog verkiesbaar stellen. Hoe moeilijk kan het zijn om gewoon te zeggen waar je met een land naar toe zou willen, hoe moeilijk kan het zijn om een visie te formuleren die persoonlijker is dan de gebruikelijke gemeenplaatsen? Het persoonlijke is universeel, vertel ik mijn studenten, wat jij vindt of voelt wordt gevonden en gevoeld door talloze anderen, en hoe persoonlijker je verhaal is, hoe meer het resoneert. Het werkt, en dat blijkt: een quasi-intellectueel kutverhaal, gebaseerd op donkerbruine quasi-wetenschap, is beter dan geen verhaal.

Dat is de schitterende paradox: het maakt niet zo veel uit wat je vertelt – daarom maakt het zo verschrikkelijk veel uit wat je vertelt. Ik wil dat er volksvertegenwoordigers opstaan die me een positief en inclusief vergezicht durven te schetsen, heel concreet en beeldend. Gewoon een toekomst die we allemáál kunnen willen – om vervolgens te kijken hoe we daar het beste kunnen komen. En die goudeerlijk durven te zijn over het feit dat het soms wringt, dat het soms pijn gaat doen. Want dat het soms pijn doet kan ik best begrijpen – als ik maar weet waar het goed voor is. Vertel me dat verhaal, dat positieve, inclusieve verhaal, en ik denk met liefde mee hoe we het gaan doen.

Macht

Heel even had ik wat anders aan mijn hoofd – de dood bijvoorbeeld, van heel dichtbij, en kunst, heel veel kunst, bij wijze van anti-dood – en terwijl ik heel even niet keek, grepen zelfverklaarde machtelozen moeiteloos de macht. Zo machteloos zijn ze dus niet, quod erat demonstrandum, u kunt weer rustig terug uw hok in, zou je zeggen. Maar macht maakt geil, en geil maakt destructief, de ingebeelde onmacht schreeuwt om wraak, wraak op al wie macht lijkt te bezitten. Onderwijzers, kunstenaars, journalisten – je verzint het niet. De onmachtigen hebben zich dus zowel hun eigen onmacht als andermans macht ingebeeld, het is godverdomme delusional tot de tweede, tsja, macht. Wat tweederangs gymnasiumtoneel al niet vermag; ik zie nu ook kansen, maar ja – ik heb wel wat anders aan mijn hoofd. Kunst bijvoorbeeld, heel veel kunst, oude kunst en moderne kunst, dat maakt me niks uit, en onderwijzen. Voor een progressief gedachtengoed hebben mijn studenten mij trouwens niet nodig, ze vinden het denk ik niet eens links, ze leven het gewoon als logisch. Daarom: ceterum censeo stultitiam esse delendam. En snel ook.

We maakten een wandeling

We maakten een wandeling, gewoon een eindje het dorp uit, even tussen de kale velden en zilveren bomen door, zilver in het lage zonlicht, niet goud – over het gebarsten asfalt van smalle weggetjes, de sloten nog vol winterwater, het gras dat zich probeert op te richten – in de houtwallen de vers gesnoeide takken van wilgen, de immense kracht die je voelt van de natuur die iets wil, iets móet: leven, onvoorwaardelijk.

We maakten een wandeling, gewoon een klein eindje terug ons leven in, nog niet te ver – mijn moeder, mijn zus en mijn zwager, mijn dame en ik – we genoten van de zon en van de kinderen, die voor ons uit stuiterden en zonder dat ze het wisten voordeden hoe dat moet: leven, onvoorwaardelijk. We liepen en snoven de lentelucht op en lachten soms en veegden dan weer de tranen van onze wangen en sloegen onze jassen open en onze man, vader en opa lachte en huilde mee, snoof de lentelucht op, spreidde zijn machtige armen in de blauwe hemel, de blinkende velden, de zilveren bossen en liet ons, net als nog maar pas geleden en altijd, zien hoe mooi het leven is.

Caleidoscoop

‘Ne savez-vous pas que les anges ont besoin que vous rêviez leurs ailes pour pouvoir voler?’ – Henri Marteau Brise-Vitre

Ik heb mijn kop niet naar schrijven staan. De dagen verlopen traag, de raderen knarsen langzaam maar gestaag, draaien één voor één op hun plaats. Ik schrijf wel, maar geen verhalen – het is een tijd van verandering, alle oude beelden zijn moe en gebruikt, de nieuwe laten zich nog niet pakken. Ik schrijf wel: ik formuleer vooral. Ik formuleer opdrachten voor mijn studenten, ik formuleer een plan om mee aan de slag te gaan in de cursus didactiek, ik formuleer gedachten over wat ik met mijn tekentalent moet – in plaats van te tekenen. Want ook die beelden zijn oud en moe en de nieuwe wachten nerveus, ergens tussen geduldig grafiet en onzekere hand. Ik schrijf wel – om mijn gedachten te ordenen, maar er komen er steeds meer bij; het is een ongelijke strijd tussen mijn brein en mij. De dagen verlopen traag, de oude beelden draaien langzaam door elkaar, vallen soms samen tot iets nieuws op hun plaats; ik moet het maar laten begaan. Het woord caleidoscopisch brengt sinds een tijd structuur in de chaos aan – of laat me voorlopig maar even in die waan.

Goed goeder goedst

Ik geef les. Of misschien geeft de les mij, maar niet als een coherent geheel – denkelijk kom ik versnipperd of verstrooid of in op het eerste gezicht niet bij elkaar horende onderdelen – ik zou willen dat ik plug & play en three easy steps maar goed, een mens zullen ze er nog wel in herkennen – als ze zich maar eens zouden verliezen in hun eigen, vreemd fragmentarische film, als ze eens niet hapklaar, behapbaar – als ik ze eens de poëzie van het gestotter, gestamel, het stilvallen, vallen, vallen – een mens, zo immens onmachtig dat zowat heilig – o, ze haperen wel maar dan happen ze niet, ik zal blijven fluisteren tot de trommelvliezen sufgebeukt: doe eens wat minder je best op je best doen – goed is zo verrekte gauw generiek.

48

Wil je een verhaal? We willen allemaal een verhaal. Hier, je flikkert per ongeluk een doos punaises leeg over de versleten parketvloer en daar ga je, je ziet een patroon. In de punaises zelf misschien alleen als je er aanleg voor hebt, maar je ziet het zéker in het laten vallen zelf, dat heb jij weer, en als je een beetje je best doet – dat doe je, je kunt niet anders – vind je zelfs een zin in de pijn van die ene punaise die nu rechtop in je voetzool steekt – dat heeft zo moeten zijn, of het is vast ergens goed voor– iets van die strekking. Verbind de pijnpunten.

Een verhaal? De ochtend van 16 november 2018 begint donker en mistig, in de verte zijn de toppen van de bomen in het Zuiderpark niet meer te zien. Ik raap punaises van de vloer, één voor één, terug in het doosje dat al zo lang als ik me kan herinneren door uitgedroogd plakband bij elkaar wordt gehouden. Ik tel de zegeningen, een voor elk jaar van mijn leven. Achtenveertig. Eén punaise te weinig, maar ik zoek hem niet op. Ik laat het toeval liever niet aan het toeval over, de negenenveertigste punaise duikt ergens dit jaar wel op – als ik een keer nietsvermoedend, gelukkig misschien zelfs, op blote poten door de kamer dans, bijvoorbeeld. Een stekende pijn, een keer vloeken en dan: me gelukkig prijzen, meer kun je niet doen. Zoek geen patronen.

Meters

Hoe ik godverdomme hemel en aarde beweeg om een klein beetje op te schuiven waar ik meters moet maken, meters moet maken – hoe het perspectief nauwelijks verandert, terwijl ik dondersgoed weet van waaraf ik zou willen kijken, zelfs wéét wat ik zou kunnen zien. Wat maak ik mezelf wijs? Misschien ben ik als de kraai die niet weet dat hij een kraai is, maar gewoon is. Misschien noem ik me wel mens, denk ik zelfs te weten dat ik dat ben, maar doet die naam er niet toe en ben ik alleen maar. In de boom naast mijn balkon zit het dier dat ik geleerd heb kraai te noemen naar me te kijken en heeft geen naam nodig voor wat hij ziet bewegen. Als hij zijn vleugels uitslaat en wegvliegt is hij me al vergeten, maakt wel en niet meters, want: zonder het te weten.

Straat

De trein mindert vaart, we ratelen mijn geboortestad binnen, ik kijk uit het raam: vanuit de trein zie je, vlak voor het station, de straat waarin ik opgroeide. Die straat staat haaks op het spoor, trekt als de versnelde wijzer van een klok in een seconde voorbij – maar toch traag genoeg om het waar te kunnen nemen als er weer eens iets veranderd, vernieuwd is. Maar vandaag zie ik ineens de straat zelf niet meer, alleen de daken van de huizen die er staan. De weelderige heg naast het spoor is in de maanden dat ik hier niet langs kwam een flink stuk gegroeid. Het duurt niet lang meer, of de straat zal – vanuit de trein gezien – zijn verdwenen. Dat lijkt me goed. Ik hoef er nooit meer te zijn, ik hoef hem ook niet meer te zien – de straat van mijn jeugd kan eindelijk weer zijn zoals hij in mijn herinnering is gebleven.

Tast

Ik probeer het te verdringen, verdrinken soms – tot ik achter een raam aan de overkant een schim langs een fel verlicht tv-scherm zie schieten, tot op een ver balkon een jonge vrouw met zorg witte lakens aan een waslijn hangt, of ergens zonlicht flitsend weerkaatst in een keukendeur die wordt geopend: om me heen, onder al die duizenden daken al die levens van al die mensen te weten is op sommige dagen slecht te verdragen. Je weet te veel of juist te weinig, behalve dat iedereen het genadeloze centrum van zijn eigen wereld is – net als jij. Het meisje van de tandartspraktijk staat vaker buiten te bellen en te roken dan dat ze aan het werk is, of zo lijkt het, zeker weten doe ik het niet. De kleine kinderen van achterburen springen op het ouderlijk bed – misschien doen ze het stiekem, misschien mag het gewoon, ik heb geen idee. Onze onderburen schreeuwen en smijten met deuren, ik kan niet eens vaststellen of het weer ruzie is of een keer een feestje – ergens roept een meisje au, een hond blaft, als paniek uitblijft hoorde ik blijkbaar niet wat ik dacht. Ik kijk, ik luister, zonder te weten wat ik hoor en zie – alles gaat op de tast, ook overdag.