Archive for the ‘from the observation deck’ Category

Heersers

Een roedel jonge honden, wild en hongerig, snel verveeld en klaar om te bijten bij het minste teken van zwakte – en ik, alles behalve een alpha male, in diepste wezen verlegen zelfs, maar nèt te oud om me daar druk over te maken. ‘Ze weten nog helemaal niets,’ was ik gerustgesteld over de eerstejaars studenten Crossmedia Design die ik les ging geven, en: ‘ze willen vooral alles goed doen.’

Ze komen uit China, Maleisië, Singapore, Italië, Duitsland, Bulgarije, Kazachstan, Brazilië, Syrië, Zuid-Afrika, ze verplaatsten hun leven van Beijing, Sao Paulo, Kuala Lumpur en nog zo wat wereldsteden – en vooruit, Ahaus – naar Enschede of all places. Dat hebben ze alvast gewaagd, ik vind het moedig. Nu moeten ze nog de oneindige ruimte van hun studie, hun werk, van hun kijken, maken en denken gaan zien; daar zijn ze heel voorzichtig in, daar zie ik ze dralen.

Niks honden. Rond de tafels in het kale, witte lokaal hangt een kluwen jonge leeuwen, soms geeuwend, onwennig knipperend tegen het licht – maar, in sommige ogen al de blik van heersers over een vlakte die ze nu nog niet op durven.

Onscherpte

Verlies twee seconden je scherpte en je bent tien, twintig jaar verder. Ergens onderweg sneed je, onbedoeld maar toch, twee, of drie, of zeven mensen door de ziel – in de spiegel herken je om de een of andere reden nog steeds je kop, maar in de pijn van anderen pas het kind dat je altijd bent gebleven. En toch zit je hier, aan een hoge tafel op het strand, poten in het zand, en je weet niet waaraan je het verdiend hebt maar je verzint wel iets. Drank en voedsel met uitzicht op zee, je veegt het vet van je kin en heft het glas op elke vergissing waarmee tot nu toe iets beters begon. En soms twijfel je of de toekomst je wel toekomt, tenzij je wat van de ziel terug kunt geven die je in tien, twintig jaar, die twee seconden van onscherpte, bij elkaar gestolen hebt.

Gasterop

Doodsangst op een stikdonkere dijk staat gelijk aan levensdrift – denk ik. Strak tachtig op de klok en mikkend tussen de lijnen, en toch: niet langer verblind, verleid, door koplampen in de achteruitkijkspiegel. Het was een mooi feest, meer dan fantastisch zelfs – maar we mogen niet blijven steken in de van drank doortrokken polderdrek, de zevenmijlslaarzen zijn uit de zuigende zomp getrokken, de klauwen klaar voor nieuwe klei. In het oosten grijnst voorzichtig de nieuwe dag, ik trap het pedaal naar de bodem van de Opel, de 1.6 grimlacht ook en drukt even de stoel in mijn rug. Always crashing / in the same car, klaagt de geest van Bowie uit de speakers, maar ik stel hem gerust: die dagen zijn voorbij. Gasterop!

Het spel met de duizend-en-één regels

De dochters spelen op de camping in het speeltuintje, ze zijn er eigenlijk iets te groot voor, maar ze vermaken zich er uren. Ze gebruiken het als een soort parcours voor rollenspellen, waarvoor met name de oudste continu regels verzint. Zelf noemen ze het waarschijnlijk een game. Op de laatste vakantiedag verschijnen twee Nederlandse broertjes van eveneens zeven en tien jaar in de speeltuin, ze doen mee met het door de meisjes bedachte spel van de dag – iets ingewikkelds met winkels. Het miezert, ze hebben alle vier regenjassen en rubber laarzen aan. De oudste dochter legt omstandig uit hoe het spel gaat, ze verzint het ter plekke. Ik hoor het woord ‘startkapitaal’. Terwijl het winkelspel bezig is en ze rondrennen en zogenaamd dingen van elkaar kopen, blijft ze nieuwe, aanvullende en gewijzigde regels roepen waaraan iedereen zich moet houden. De andere drie kinderen hoor ik af en toe tegenvoorstellen doen, die soms geïmplementeerd worden, meestal in een door oudste dochter nog aangevulde of verbeterde, maar hoe dan ook eigen versie – ze doet het niet om macht uit te oefenen, het gaat vanzelf, het is enthousiasme gekoppeld aan een bijna onnavolgbaar hoog denktempo.

Het maakt de jongens niks uit. Het had eender welk spel kunnen zijn, met duizend regels: ze laten zich door de meisjes alles vertellen, als ze maar in de buurt kunnen zijn – dat is de enige regel die voor jongens telt.

Als het tijd is om te eten, moet de winkelgame afgebroken worden, maar, besluiten ze enthousiast, morgenvroeg gaan ze er mee verder! Als ze met tegenzin uit de speeltuin vertrekken, heeft de oudste van de twee broertjes wel alvast een verzoek voor het spel van morgen. Hij zegt: ‘ik wil dan liever achter de receptie of bij de helpdesk werken.’

Fibonacci, baby

De zonnebloemen op mijn balkon zijn harde fuckers. Ze overleefden de te kleine bak waarin ze te dicht op elkaar staan, eerst ook nog in te weinig aarde. De lange, dunne stengels bogen door onder het toenemende gewicht van de blaadjes, maar de drang naar boven was zo groot, dat ze gewoon steeds weer een bocht omhoog maakten, zodat er nu net boven de aarde vreemde kronkels in de stelen zitten. Van daar af groeiden ze bijna een meter recht omhoog, en meer zat er door die kleine bak ook niet in. Met het afslaan van een aanval van groene bladluizen moest ik ze even bijstaan, maar vervolgens werden de toch al aangedane bladeren op een avond door knikkerdikke hagelstenen kapotgekegeld, in de zwaarste bui die ik in jaren meemaakte. De zonnebloemen bleven overeind, al verdorden sommige doorboorde en gescheurde bladeren alsnog – mooier werden ze er niet op. Maar het enige waar je bij zonnebloemen op zit te wachten, waar je maandenlang al dat werk voor verzet, waar je je op verheugt – de schitterende, grote, knalgele bloemen die de zomer definitief op mijn balkon zouden installeren, zonnig met een diepzwarte kern – die bloemen kwamen maar niet. Knoppen in de top, wekenlang, daar bleef het bij.

Tot afgelopen zondag. Eindelijk opende zich, heel voorzichtig, de eerste bloem. Een mooi moment, al zag het er nog niet erg geel uit, maar dat ging ongetwijfeld nog komen. Nu, een paar dagen verder, is de bloem helemaal open. Het is een beetje een groezelig bloemetje, vaalgeel met zelfs iets te veel verschoten rood. Het valt een beetje tegen.

Misschien zijn er meerdere soorten zonnebloemen, ik weet het niet en ik wil het ook niet opzoeken – zonnebloemen zijn gewoon zonnebloemen, er verandert al genoeg, sommige vaststaande feiten uit mijn jeugd wil ik graag voor de rest van mijn leven bewaren.

Wat ik in de loop der jaren wél heb bijgeleerd over zonnebloemen, is dat de prachtig spiralende pitten in de kern van de bloem geordend zijn volgens een wiskundige reeks. Het is natuurlijk al een genot om naar te kijken zonder die wetenschap, maar laten we zeggen dat de naam van die reeks een soort bonusgenot verschaft. De kern van het vieze zonnebloemetje op mijn balkon is namelijk wél zoals hij hoort te zijn, en elke keer dat ik er naar kijk, fluister ik: Fibonacci, baby! en dan is het toch even zomer.

Honger

Het is nat en warm buiten, groeizaam weer. Ik zie de groenten op het balkon bijna groeien, stelen en blaadjes zijn ‘s avonds groter dan ‘s ochtends, ik verbeeld het me niet. In veel te kleine potten staan radijs, cavolo nero, paksoi en peulen, van tomaten heb ik de pitten pas net in de aarde gestoken. Het gaat ons voor het derde jaar achtereen geen maaltijd opleveren, hooguit een hapje. Maar het laten groeien en bloeien van groenten, hoe kleinschalig ook, stilt een honger waarvan ik als stadsmens niet eens wist dat ik hem had.

Beter

Het moet beter, in elk denkbaar opzicht beter, zoals altijd alles beter moet. De wereld, de ziel, de zorgen en de schrijfsels – ze helpen elkaar niet vooruit dezer dagen; de woorden gaan maar rond, steeds dezelfde woorden, steeds sneller sleets, betekenisloos en bleek. Alles moet beter en ik heb altijd gezegd dat we in het interbellum leven, het was een kwestie van tijd voordat mannen overal ter wereld vooral weer piklengte zouden laten spreken, door monosyllabici aan de macht gebracht – twijfel is verraad, zorgvuldigheid verdacht. De woorden gaan maar rond, steeds dezelfde woorden, retro-retoriek in eindeloze herhaling en zie: de filosofie van voor en achter door fallici verkracht, de donkerste nacht vervangt sluipenderwijs de werkelijkheid van alledag. Alles moet beter, in elk denkbaar opzicht beter – maar wat zou ik nog met woorden, als er geen ruimte meer is om te dromen? De wereld, de ziel, de zorgen en het schrijven – ze hebben elkaar nodig, zelfs meer dan ik ooit had verwacht.

Brekend

Laat me met rust. Laat me godverdomme met rust! Maar ik laat me niet met rust, ik lees alles, weet alles, ik hang aan een infuus, het nieuws druppelt – trump – trump – trump – trump – de bloedbaan tot informatiestroom, het brein op barsten en hoe meer ik lees, hoe scherper het besef dat ik nooit genoeg zal weten – hoe meer ik vreet, hoe groter de honger en de machine blijft maar berichten braken, bitesize en berekenend, elk woord kan een waarschuwing zijn, elke grap de grimmige waarheid, elke waarheid een grimmige grap – en de waarheid is voor ieder van ons een andere, maar de werkelijkheid is voor allen gelijk: we zijn broos, we zijn brekend, we zijn bang – maar het gewone leven herneemt zich steeds maar weer en een gelukzalige berusting daalt in me neer als ik in de supermarkt prijs en kwaliteit van zeven kleuren schijtpapier vergelijk.

Stappenteller

Op de heenweg nog niet, nuchter in de vrieskou, met elke stap de aandacht op iets anders – vanaf de achterkant van het station linksaf langs het IJ zeker twintig verschillende soorten bestrating en brugbedekking tot aan mijn bestemming, een nieuwjaarsborrel. Het is er druk en vol. Er is champagne, ik proost, schud wat handen, knik belangstellend en instemmend, veins verrassing waar het maar kan. Dienbladen met amuses zweven langs, je spreekt niet met volle mond, van de wijn nip je, het gaat al met al heel aardig. Maar een groep mensen is een levend organisme, na een half uur heeft het me naar de buitenkant gewerkt, zoals het oog een ongerechtigheid met onwillekeurige bewegingen naar de ooghoek drijft. Het zal het tweede glas wijn zijn – op de weg terug naar het station hoor ik elke stap die ik zet, de hakken van mijn laarzen kaatsen klanken over de klinkers en kasseien, klinken hol op bruggen en in de stationshal – al die stappen terug, de hele weg ongedaan gemaakt – ik hoor ze, maar ik tel ze niet.

Wit

Weinig mooier dan ‘s nachts naar het sneeuwen kijken, zo licht dat je er een boek bij kunt lezen, de stad om je heen zo stil als het wit tussen de woorden.