Aln’s wa-j oe anhaalt

Oom Wim was een oom van mijn vader; ik kende hem niet goed. Hij was één van drie broers Fabels die bij het garagebedrijf met dezelfde naam woonden en werkten, aan de Oldenzaalsestraat in Hengelo. Twee van de broers liepen meestal in een stofjas, maar oom Wim droeg altijd een strak grijs pak. Ik denk niet dat hij een pak droeg om zich beter te voelen dan zijn sleutelende broers; een zeker snobisme is mijn familie niet vreemd, maar arrogantie is iets anders. Hij was nou eenmaal de verkoper bij het bedrijf en het zou heel goed kunnen dat hij dat was geworden, omdat hij van hun drieën het minst handig was in motorvoertuigentechniek – dat weet ik niet. Ik kende hem niet goed, maar toch denk ik vaak aan oom Wim, bij elke nieuwe onderneming, bij iedere aanschaf, elke beslissing: het al dan niet nemen van een huisdier, hoe klein ook. Onze eerste Opel. Huurhuis, koophuis. Ik dacht aan oom Wim toen de kinderen op komst waren, ik dacht aan hem toen ik met schrijven begon. Ik kende oom Wim niet goed, maar ik leef met een uitspraak die hij vaak deed: aln’s wa-j oe anhaalt he-j last met. Daar had-ie gelijk in.

Posted April 14th, 2014 in kort verhaal.