Onscherpte

Verlies twee seconden je scherpte en je bent tien, twintig jaar verder. Ergens onderweg sneed je, onbedoeld maar toch, twee, of drie, of zeven mensen door de ziel – in de spiegel herken je om de een of andere reden nog steeds je kop, maar in de pijn van anderen pas het kind dat je altijd bent gebleven. En toch zit je hier, aan een hoge tafel op het strand, poten in het zand, en je weet niet waaraan je het verdiend hebt maar je verzint wel iets. Drank en voedsel met uitzicht op zee, je veegt het vet van je kin en heft het glas op elke vergissing waarmee tot nu toe iets beters begon. En soms twijfel je of de toekomst je wel toekomt, tenzij je wat van de ziel terug kunt geven die je in tien, twintig jaar, die twee seconden van onscherpte, bij elkaar gestolen hebt.

Gasterop

Doodsangst op een stikdonkere dijk staat gelijk aan levensdrift – denk ik. Strak tachtig op de klok en mikkend tussen de lijnen, en toch: niet langer verblind, verleid, door koplampen in de achteruitkijkspiegel. Het was een mooi feest, meer dan fantastisch zelfs – maar we mogen niet blijven steken in de van drank doortrokken polderdrek, de zevenmijlslaarzen zijn uit de zuigende zomp getrokken, de klauwen klaar voor nieuwe klei. In het oosten grijnst voorzichtig de nieuwe dag, ik trap het pedaal naar de bodem van de Opel, de 1.6 grimlacht ook en drukt even de stoel in mijn rug. Always crashing / in the same car, klaagt de geest van Bowie uit de speakers, maar ik stel hem gerust: die dagen zijn voorbij. Gasterop!

Het spel met de duizend-en-één regels

De dochters spelen op de camping in het speeltuintje, ze zijn er eigenlijk iets te groot voor, maar ze vermaken zich er uren. Ze gebruiken het als een soort parcours voor rollenspellen, waarvoor met name de oudste continu regels verzint. Zelf noemen ze het waarschijnlijk een game. Op de laatste vakantiedag verschijnen twee Nederlandse broertjes van eveneens zeven en tien jaar in de speeltuin, ze doen mee met het door de meisjes bedachte spel van de dag – iets ingewikkelds met winkels. Het miezert, ze hebben alle vier regenjassen en rubber laarzen aan. De oudste dochter legt omstandig uit hoe het spel gaat, ze verzint het ter plekke. Ik hoor het woord ‘startkapitaal’. Terwijl het winkelspel bezig is en ze rondrennen en zogenaamd dingen van elkaar kopen, blijft ze nieuwe, aanvullende en gewijzigde regels roepen waaraan iedereen zich moet houden. De andere drie kinderen hoor ik af en toe tegenvoorstellen doen, die soms geïmplementeerd worden, meestal in een door oudste dochter nog aangevulde of verbeterde, maar hoe dan ook eigen versie – ze doet het niet om macht uit te oefenen, het gaat vanzelf, het is enthousiasme gekoppeld aan een bijna onnavolgbaar hoog denktempo.

Het maakt de jongens niks uit. Het had eender welk spel kunnen zijn, met duizend regels: ze laten zich door de meisjes alles vertellen, als ze maar in de buurt kunnen zijn – dat is de enige regel die voor jongens telt.

Als het tijd is om te eten, moet de winkelgame afgebroken worden, maar, besluiten ze enthousiast, morgenvroeg gaan ze er mee verder! Als ze met tegenzin uit de speeltuin vertrekken, heeft de oudste van de twee broertjes wel alvast een verzoek voor het spel van morgen. Hij zegt: ‘ik wil dan liever achter de receptie of bij de helpdesk werken.’

Fibonacci, baby

De zonnebloemen op mijn balkon zijn harde fuckers. Ze overleefden de te kleine bak waarin ze te dicht op elkaar staan, eerst ook nog in te weinig aarde. De lange, dunne stengels bogen door onder het toenemende gewicht van de blaadjes, maar de drang naar boven was zo groot, dat ze gewoon steeds weer een bocht omhoog maakten, zodat er nu net boven de aarde vreemde kronkels in de stelen zitten. Van daar af groeiden ze bijna een meter recht omhoog, en meer zat er door die kleine bak ook niet in. Met het afslaan van een aanval van groene bladluizen moest ik ze even bijstaan, maar vervolgens werden de toch al aangedane bladeren op een avond door knikkerdikke hagelstenen kapotgekegeld, in de zwaarste bui die ik in jaren meemaakte. De zonnebloemen bleven overeind, al verdorden sommige doorboorde en gescheurde bladeren alsnog – mooier werden ze er niet op. Maar het enige waar je bij zonnebloemen op zit te wachten, waar je maandenlang al dat werk voor verzet, waar je je op verheugt – de schitterende, grote, knalgele bloemen die de zomer definitief op mijn balkon zouden installeren, zonnig met een diepzwarte kern – die bloemen kwamen maar niet. Knoppen in de top, wekenlang, daar bleef het bij.

Tot afgelopen zondag. Eindelijk opende zich, heel voorzichtig, de eerste bloem. Een mooi moment, al zag het er nog niet erg geel uit, maar dat ging ongetwijfeld nog komen. Nu, een paar dagen verder, is de bloem helemaal open. Het is een beetje een groezelig bloemetje, vaalgeel met zelfs iets te veel verschoten rood. Het valt een beetje tegen.

Misschien zijn er meerdere soorten zonnebloemen, ik weet het niet en ik wil het ook niet opzoeken – zonnebloemen zijn gewoon zonnebloemen, er verandert al genoeg, sommige vaststaande feiten uit mijn jeugd wil ik graag voor de rest van mijn leven bewaren.

Wat ik in de loop der jaren wél heb bijgeleerd over zonnebloemen, is dat de prachtig spiralende pitten in de kern van de bloem geordend zijn volgens een wiskundige reeks. Het is natuurlijk al een genot om naar te kijken zonder die wetenschap, maar laten we zeggen dat de naam van die reeks een soort bonusgenot verschaft. De kern van het vieze zonnebloemetje op mijn balkon is namelijk wél zoals hij hoort te zijn, en elke keer dat ik er naar kijk, fluister ik: Fibonacci, baby! en dan is het toch even zomer.

Curve

Wacht, laat ik het anders zeggen. Het is een schitterende curve, die neergaande lijn – soms wil je hem niet onderbreken, gewoon, om te zien waar hij eindigt. Stopt het bij nul, of glijdt hij langzaam verder in de min? Misschien stel je uit net zo veel noodzaak als nieuwsgierigheid het nulpunt oneindig bij, zodat je de bodem nooit hoeft te zien?
Ja maar, dit is geen dag voor dat soort gedachten, zeggen de geleerden – kijk! het is zondag, de zomer is begonnen, de auto is gewassen, tuinstoel in de schaduw, een koel glas witte wijn! Hoera, godverdomme!
Ze hebben gelijk, de geleerden. Zo slecht gaat het al met al niet, je neemt nog een toastje met zalm en spoelt het weg, je zakt nog wat zwaarder in je stoel. Je bent wel eens rijker geweest, maar nog nooit was je zo wakker; nog nooit wist je zo goed wat je deed – dat je maar wat doet, net als iedereen. Nee, zo slecht gaat het niet met je, de bodem is nog lang niet in zicht.
Maar wacht – voordat je denkt dat het over mij gaat: wie zegt dat? De geleerden? Ze weten niks! Niks weten ze, en ik maak ze niet wijzer. Ik heb geen nulpunt, ik bén het, ik kijk die schitterende curve van je na, de afgrond in. Met mij gaat het goed. Ik heb mijn eigen klauw klem om mijn strot en laat niet meer los.

Vacuumworst

Zomerdag – zeiknat wakker in een nylon tent van vierentwintig vijfennegentig, je opgezwollen kop voor het eerst naar buiten door een rits met te weinig ontsluiting – de hemel strak cyaan en de bomen gifgroen, pijn aan de ogen, in je lijf een loodzware leegte. Honger. Je wilt schreeuwen, je wilt drinken van de moederborst maar je bent hopeloos alleen met de laatste dronken prins van je dromen – diep in slaap. En toch maakt de magere held straks ontbijt, lurkend van jouw pak lauwe sojadrank, witte druppels in zijn baard. Hij maakt vuur in aluminium, glibbert bleke piemels uit hun plastic jas, legt ze met benige vingers op het rooster en pas als je die warme vacuumworst in je mond steekt, herinner je je de nacht.

Honger

Het is nat en warm buiten, groeizaam weer. Ik zie de groenten op het balkon bijna groeien, stelen en blaadjes zijn ‘s avonds groter dan ‘s ochtends, ik verbeeld het me niet. In veel te kleine potten staan radijs, cavolo nero, paksoi en peulen, van tomaten heb ik de pitten pas net in de aarde gestoken. Het gaat ons voor het derde jaar achtereen geen maaltijd opleveren, hooguit een hapje. Maar het laten groeien en bloeien van groenten, hoe kleinschalig ook, stilt een honger waarvan ik als stadsmens niet eens wist dat ik hem had.

Beter

Het moet beter, in elk denkbaar opzicht beter, zoals altijd alles beter moet. De wereld, de ziel, de zorgen en de schrijfsels – ze helpen elkaar niet vooruit dezer dagen; de woorden gaan maar rond, steeds dezelfde woorden, steeds sneller sleets, betekenisloos en bleek. Alles moet beter en ik heb altijd gezegd dat we in het interbellum leven, het was een kwestie van tijd voordat mannen overal ter wereld vooral weer piklengte zouden laten spreken, door monosyllabici aan de macht gebracht – twijfel is verraad, zorgvuldigheid verdacht. De woorden gaan maar rond, steeds dezelfde woorden, retro-retoriek in eindeloze herhaling en zie: de filosofie van voor en achter door fallici verkracht, de donkerste nacht vervangt sluipenderwijs de werkelijkheid van alledag. Alles moet beter, in elk denkbaar opzicht beter – maar wat zou ik nog met woorden, als er geen ruimte meer is om te dromen? De wereld, de ziel, de zorgen en het schrijven – ze hebben elkaar nodig, zelfs meer dan ik ooit had verwacht.

Supermarc

Jagers jagen en verzamelaars verzamelen – zo gaat het al sinds mensenheugenis en het is niet wezenlijk veranderd – dus dwaal ik op maandagochtend achter een lege winkelwagen door de supermarkt, niet in staat om te verzinnen wat ik het gezin vanavond voor zal schotelen. Het aanbod intimideert me, ik kan niet kiezen. Ik kijk vooral wat er in de aanbieding is, omdat de toch al nooit zo vette jaren zijn verruild voor magere. Twintig jaar gewerkt en al bijna terug bij af. En precies hier, in het schelle licht tussen de schappen van de supermarkt, vertraagt dat besef ineens mijn stappen, wikkelt het een zware wollen deken om mijn denken en doen, worden verdomme de ogen dik. Ondernemers ondernemen! – het klinkt makkelijk uit mondiger monden dan de mijne, maar ik bén geen jager, ik bén geen verzamelaar, er is geen plan en ik kan niet kiezen uit wat ik allemaal zou kunnen doen en dus graai ik alles uit de vakken en schappen, vlees én vis, wijn én water, schrijven en schrappen en schoppen en trappen en je hebt het maar te vreten: dit is mijn winkelwagen, alles door elkaar, ik rij vast naar de kassa, ik ga niet eens meer langs start en het is slikken en spugen, scharrelen en schooien – brood op de plank zal er komen.

Tekenend

Ik zie het voor me. Ik zie voor me hoe het wordt, de ondergrond een transparante laag inkt in warm grijsblauw, waarover een woeste kwast wit en dan de lijnen – trefzeker zoekend, perfect aarzelende krommingen in siberisch krijt, van fluweelzacht naar hard en gruizig zwart, de suggestie van armen, lijf, benen, vingers, vleugels – tot ik de engel zie, of de duivel, dat is moeilijk te zeggen. De tekening bestaat al, mijn handen hoeven hem alleen nog maar te maken. Die handen – die vervloekte lemen handen, loodzwaar langs dit lichaam, machteloos onder het geweld van maagdelijk wit. Ik zie de engel, maar die smerige, verkoolde vingers verkruimelen bij de minste beroering. Ik berg kwast en krijt op. De engel lacht. De duivel wint.