Nooit goed

Enschede. Om de andere zondag liepen we van het huis van opa en oma aan de Kuipersdijk naar het Diekmanstadion. FC Twente speelde thuis en, weer of geen weer, we gingen; mijn vader had toen nog een seizoenskaart, net zoals zijn beste vriend, de vader van mijn beste vriend. Staantribune, Vak E, overdekt, net voor de bocht; koude poten op het kiezelige beton. Vak E was een rustig vak vol oude mannen, en vaders met hun zonen. Blauwbekken dus, geen jas was dik genoeg als je stilstond en het verschil met de samenvattingen op tv was dat het grootste deel van de wedstrijd zich ergens op het middenveld aan werkelijke waarneming onttrok – maar het kon de pret niet drukken. Mijn vriend en ik wisten er alles van en stonden met onze smoelen tegen de spijlen van het hek geklemd commentaar te geven op alle smerige overtredingen van de tegenstander en de verschrikkelijke scheidsrechterlijke dwalingen. Natuurlijk werd de FCT categorisch benadeeld, en Studio Sport ’s avonds gaf ook al een vertekend beeld van de krachtsverhoudingen die wij op het veld hadden gezien.

In die zin verschilden wij, jochies van een jaar of tien, niet veel van de oude mannetjes achter ons in Vak E, behalve dat hun ongenoegen zich vooral richtte op het eigen team. Elke Twentse actie werd hoofdschuddend van commentaar voorzien. Hoe hij dat nou had kunnen doen. Dat ze die-en-die nooit hadden moeten kopen. Dat mooi voetbal niet werkt. Dat werkvoetbal niet mooi genoeg is. Dat die korte corner hoog voor de pot had gemoeten, dat zo’n hoge bal natuurlijk voor de keeper is. Alles. Het was nooit goed. En soms viel er dan toch een doelpunt voor FC Twente.

Het ontketende gejuich – je vergat de kou, je armen naar de hemel, de strot schor, het Diekman kwam los van de grond en zweefde een paar meter boven het maaiveld – eindelijk! De bal was vanaf een meter of dertig in de linkerbovenhoek van het doel gekruld, met het achteloze gemak waar onze favoriete speler van dat moment patent op had. Een schitterende goal. En toch hoorden we in alle extase altijd de oude mannetjes van Vak E achter ons, met hun platte petten, de handen diep in de zakken, stompje stinksigaar tussen de ontevreden hangende lippen.

“Noh, veur ’t zelfde geld geet zo’n bal hoog oaver.”

En ik kan er niks aan doen, maar dat – precies dat – is Twente voor mij.

Opgenomen in het boek Hoe mooi is Twente wel niet van journalist Gijs Eijsink, met nog 62 beschouwingen van écht bekende Twentenaren als Jan Cremer, Herman Finkers, Hennie Kuiper, André Manuel en dergelijke.

Exit Strategy

Mag u mij volgen naar de gastenkamer
Mag u een kopje koffie gebruiken
– met dodelijke precisie en in moordend tempo
geschonken uit zilveren kannen met lange tuiten door
niet te stuiten hostessen, vervaardigd uit
hoogwaardig Twents eiken –
…………………………………hier is het altijd mooi weer
…………………………………hier zit ineens alles mee
…………………………………hier hebben ze godverdomme nog eens
…………………………………strak
…………………………………afgemeten
…………………………………cake!
ik zag heus wel –
ik zag heus wel hoe
de letters die je sprak
zich radeloze mieren rond
de genadeloos dichte kist
wisten terwijl ze woorden
wilden zijn maar toch
moet ik zeggen
heb je mooi gesproken
alles wat je vertelde
is exact
hoe ik was

 

Rex

Iemand moet op mijn lippen bijten
iemand anders dan ikzelf en hard – tot het bloed op het shirt drupt,
inktzwart en in plaats van woorden.

                          Mating season, mating season!

Met meewarige blik op eigen bestaan
loens ik elke goeie kont na – geen borstenman
geen moedercomplex
geen brein geen lichaam geen bloed geen shirt
geen lippen geen woorden –
………………….. steeds minder chaos
……………………steeds meer esthetisch genot
……………………steeds meer geprevel tot de goede god

But The Lizard Brain! But The Lizard Brain!

Fuck het gevecht.
En:
Fuck de overgave.

Bijt mijn lippen stuk en ik stippel een ontsnappingsroute uit
verbind de punten tot een vijfsterrenverblijf in een
labyrint van mijn keuze of, beter nog:
via de versleten campingbistro en het
beeldschone meisje dat er une pression tapt terwijl ze
jou en je gezinspizza’s tot hooguit
kamertemperatuur opwarmt –
o, man
……………………steeds meer overzicht
……………………alleen nog maar esthetisch genot
……………………en ten slotte
……………………alleen nog maar geprevel
……………………tot de goede god

 

Exploded point of view

Ik groeide op tussen de grijnzende karkassen van duizenden auto’s
in achteloze ordening ter weerszijden van uitgeholde zandpaden
onderbroken door slordige stukken asfalt – de glazige blikken blind.

Ik groeide nog op en zag de verbrijzelde voorruit en het bloed donkerbruin
vastgekoekt op het dashboard maar

de stoelen waren nog goed.

Ik groei nog altijd op met mijn hals voor eeuwig vlak boven
de scherpste scherven in het rubber – ik kijk voor eeuwig verwonderd rond
in dit bevroren sterrenstelsel van glas en metaal boven verwrongen motorkap en vangrail –
zo lang ik blijf zweven heb ik de sleutel nog in de hand.

Sleutel dertien.

Pas bij thuiskomst zagen we de opgedroogde druppel bloed
in het gouden velours van de rugleuning maar verder

waren de stoelen nog goed.

Feiten en Fabels III

Je meent te weten dat je geboren bent, je meent te weten dat je bestaat – je hebt een lichaam, of misschien bén je een lichaam, misschien heeft je lichaam jou – misschien ís dat lichaam jou, maar tegen zijn zin – misschien heeft dat lichaam vrij van jou als je slaapt en droomt dat je het niet heb. Als je wakker wordt, trekt het lichaam zichzelf met moeite weer om je heen aan als een stugge oude jas, je merkt het als je in beweging komt.

Je meent te weten dat je bestaat, je meent te weten dat je meer bent dan de som der delen – het vlees, het vet, de botten en het brein, het brein dat je complexer denkt dan je technisch gezien bent – dat naast je fysiek nog een heel fantoomzijn verzint.

Je denkt te weten dat je bent, maar je kunt jezelf je aanwezigheid niet bewijzen – wie weet wat je brein zichzelf wijsmaakt? Waar ben je precies, bén je wel waar – je knijpt hem als een ouwe dief, knijp jezelf nog maar even niet. Misschien neem je alleen in je eigen en in ons brein tijd en ruimte in en besta je nog wat minder dan je zelf weet, als wij je straks weer vergeten – en jij hier nooit zult zijn geweest.

Geschreven voor en voorgedragen op theaterfestival Haags Kabaal, thema Fake News, in Theater De Vaillant, Den Haag op zaterdag 13 april 2019. Met dank aan Iraas Korver en Haags Theaterhuis. 

Feiten en Fabels I

Soms mist u ineens een sleutel of zo lijkt het – ze willen niet dat u achter bepaalde deuren kijkt, ze willen u liever niet backstage, het is niet de bedoeling dat u begrijpt hoe het werkt – u mag alleen weten wat ze laten zien. Welkom in het theater van de macht, welkom in de wereld van het grote geld achter de schermen, niet voor de lijn staan, niet spreken met de bestuurder, houdt u vast tijdens de rit, let op uw eigendommen, vergeet niet uit te checken: anders weten we niet waar u bent, hoe weinig tegoed u nog op onze rekening heeft, het is heel wel mogelijk dat u de laatste halte niet zult halen – is er iemand die voor u kan zorgen? Alle wegen lopen dood op deuren die alleen met Visacard, Mastercard of American Express te openen zijn, vóór elf uur ’s avonds besteld is eergisteren in huis en u maar wachten, wachten, als u het mij vraagt bent u al jaren geleden geannuleerd en geen geld terug, toets één als u een medewerker aan de lijn wilt, misschien kunt u het later nog eens proberen, weet u zeker dat u de premie die wij op uw hoofd hebben gezet betaald heeft? Klik hier voor een foto van een zwart gat, kijk goed – waar u echt niks meer ziet zat vroeger een hart.

En ik zal u nog eens wat verklappen: complottheorieën zijn een uitvinding van de grote bedrijven. Maar dat hebt u niet van mij.

Geschreven voor en voorgedragen op theaterfestival Haags Kabaal, thema Fake News, in Theater De Vaillant, Den Haag op zaterdag 13 april 2019. Met dank aan Iraas Korver en Haags Theaterhuis. 

Een schitterende paradox

Het is makkelijk, al te makkelijk, om de verkiezingswinst van een openlijk antidemocratische en racistische politieke partij op de kortzichtigheid van de kiezers te schuiven. Kiezers die niet kiezen wat jij kiest kun je niks verwijten, tenzij je je eigen antidemocratische neigingen ook lekker de vrije loop laat. Mea culpa, derhalve.

We hebben verhalen nodig, dat moge duidelijk zijn. Of beter nog: een verhaal, om chocola te maken van de warboel waar we ons dagelijks doorheen prutsen. We doen maar wat; en is die gedachte voor het grote geheel nog wel te behappen, op persoonlijk niveau is het moeilijk te verteren dat het leven een vrij zinloze dwaaltocht is. Elk enigszins aannemelijk verhaal helpt om het draaglijk te maken. Een slecht verhaal is nog beter dan geen verhaal, dat blijkt keer op keer.

De kortzichtigheid zit in iedereen, kiezers en gekozenen, maar de gekozenen neem ik het écht kwalijk – het gebrek aan een goed verhaal, of een verhaal überhaupt. Ik verwijt onze progressieve politici hun onvermogen, hun angst om simpelweg hun dromen te delen of, als ze die dromen niet meer hebben voor iedereen, dat ze zich nog verkiesbaar stellen. Hoe moeilijk kan het zijn om gewoon te zeggen waar je met een land naar toe zou willen, hoe moeilijk kan het zijn om een visie te formuleren die persoonlijker is dan de gebruikelijke gemeenplaatsen? Het persoonlijke is universeel, vertel ik mijn studenten, wat jij vindt of voelt wordt gevonden en gevoeld door talloze anderen, en hoe persoonlijker je verhaal is, hoe meer het resoneert. Het werkt, en dat blijkt: een quasi-intellectueel kutverhaal, gebaseerd op donkerbruine quasi-wetenschap, is beter dan geen verhaal.

Dat is de schitterende paradox: het maakt niet zo veel uit wat je vertelt – daarom maakt het zo verschrikkelijk veel uit wat je vertelt. Ik wil dat er volksvertegenwoordigers opstaan die me een positief en inclusief vergezicht durven te schetsen, heel concreet en beeldend. Gewoon een toekomst die we allemáál kunnen willen – om vervolgens te kijken hoe we daar het beste kunnen komen. En die goudeerlijk durven te zijn over het feit dat het soms wringt, dat het soms pijn gaat doen. Want dat het soms pijn doet kan ik best begrijpen – als ik maar weet waar het goed voor is. Vertel me dat verhaal, dat positieve, inclusieve verhaal, en ik denk met liefde mee hoe we het gaan doen.

Macht

Heel even had ik wat anders aan mijn hoofd – de dood bijvoorbeeld, van heel dichtbij, en kunst, heel veel kunst, bij wijze van anti-dood – en terwijl ik heel even niet keek, grepen zelfverklaarde machtelozen moeiteloos de macht. Zo machteloos zijn ze dus niet, quod erat demonstrandum, u kunt weer rustig terug uw hok in, zou je zeggen. Maar macht maakt geil, en geil maakt destructief, de ingebeelde onmacht schreeuwt om wraak, wraak op al wie macht lijkt te bezitten. Onderwijzers, kunstenaars, journalisten – je verzint het niet. De onmachtigen hebben zich dus zowel hun eigen onmacht als andermans macht ingebeeld, het is godverdomme delusional tot de tweede, tsja, macht. Wat tweederangs gymnasiumtoneel al niet vermag; ik zie nu ook kansen, maar ja – ik heb wel wat anders aan mijn hoofd. Kunst bijvoorbeeld, heel veel kunst, oude kunst en moderne kunst, dat maakt me niks uit, en onderwijzen. Voor een progressief gedachtengoed hebben mijn studenten mij trouwens niet nodig, ze vinden het denk ik niet eens links, ze leven het gewoon als logisch. Daarom: ceterum censeo stultitiam esse delendam. En snel ook.

We maakten een wandeling

We maakten een wandeling, gewoon een eindje het dorp uit, even tussen de kale velden en zilveren bomen door, zilver in het lage zonlicht, niet goud – over het gebarsten asfalt van smalle weggetjes, de sloten nog vol winterwater, het gras dat zich probeert op te richten – in de houtwallen de vers gesnoeide takken van wilgen, de immense kracht die je voelt van de natuur die iets wil, iets móet: leven, onvoorwaardelijk.

We maakten een wandeling, gewoon een klein eindje terug ons leven in, nog niet te ver – mijn moeder, mijn zus en mijn zwager, mijn dame en ik – we genoten van de zon en van de kinderen, die voor ons uit stuiterden en zonder dat ze het wisten voordeden hoe dat moet: leven, onvoorwaardelijk. We liepen en snoven de lentelucht op en lachten soms en veegden dan weer de tranen van onze wangen en sloegen onze jassen open en onze man, vader en opa lachte en huilde mee, snoof de lentelucht op, spreidde zijn machtige armen in de blauwe hemel, de blinkende velden, de zilveren bossen en liet ons, net als nog maar pas geleden en altijd, zien hoe mooi het leven is.

Caleidoscoop

‘Ne savez-vous pas que les anges ont besoin que vous rêviez leurs ailes pour pouvoir voler?’ – Henri Marteau Brise-Vitre

Ik heb mijn kop niet naar schrijven staan. De dagen verlopen traag, de raderen knarsen langzaam maar gestaag, draaien één voor één op hun plaats. Ik schrijf wel, maar geen verhalen – het is een tijd van verandering, alle oude beelden zijn moe en gebruikt, de nieuwe laten zich nog niet pakken. Ik schrijf wel: ik formuleer vooral. Ik formuleer opdrachten voor mijn studenten, ik formuleer een plan om mee aan de slag te gaan in de cursus didactiek, ik formuleer gedachten over wat ik met mijn tekentalent moet – in plaats van te tekenen. Want ook die beelden zijn oud en moe en de nieuwe wachten nerveus, ergens tussen geduldig grafiet en onzekere hand. Ik schrijf wel – om mijn gedachten te ordenen, maar er komen er steeds meer bij; het is een ongelijke strijd tussen mijn brein en mij. De dagen verlopen traag, de oude beelden draaien langzaam door elkaar, vallen soms samen tot iets nieuws op hun plaats; ik moet het maar laten begaan. Het woord caleidoscopisch brengt sinds een tijd structuur in de chaos aan – of laat me voorlopig maar even in die waan.