Kinderen op de kermis kunnen alleen maar winnen. Dat is de afspraak, ouders betalen daarvoor – in mijn geval zes euro. Dochter viste voor dat bedrag zonder veel inspanning zeven plastic eendjes uit een bak water en mocht haar beloning kiezen uit al het speelgoed aan de buitenkant van de kraam. Ze huppelde er wel drie keer omheen, ze wilde niet het verkeerde kiezen – een kind van zes weet al heel goed hoe spijt voelt. Ik prees dingen aan, probeerde haar keuze te sturen; ze moet de vrijheid krijgen om zelf te kiezen, maar ik vond niet al het speelgoed geschikt voor een kind van haar leeftijd. Toen stopte ze met huppelen. Ze bleef staan bij een plastic geweer.
Ik heb moeite met wapentuig als speelgoed, maar dat is iets van grote mensen – ik speelde zelf als kind ook soldaatje en sterven was nog het mooist. ‘Weet je het heel zeker?’ probeerde ik nog, maar ze pakte de doos met de sniper rifle al van de kraam. Verbieden kon niet meer – had ik het wapenembargo maar van tevoren moeten instellen en, redeneerde ik mijn geweten verder schoon: een verbod zou wapens alleen maar interessanter maken. Mijn dochter klemde het geweer stevig tegen haar borst, ze straalde van geluk. Ik had het hart niet haar haar prijs te weigeren.
Bovendien was ze inmiddels gewapend.
Posted May 14th, 2013 in from the observation deck, kort verhaal.
Ik ben nooit bij de tijd geweest en hip al helemaal niet – ik liep als kind meteen al achter. Ik draaide singeltjes grijs op een koffergrammofoon, in den beginne was ik Beatles én Stones: begin jaren tachtig alsof het 1963 was, maar dat zag ik zelf pas veel later. De Stones wonnen – mijn ouders bezaten geen Beatlesalbums. Van de Stones hadden ze daarentegen de verzamelaar Stones Story Part One, een dubbel-LP. Ik draaide alleen de eerste plaat, want daarop klonk nog de vertrouwde rythm & blues van koekdozendrums en raspgitaren die ik kende van de singles. In The Last Time, het voorlaatste nummer van kant B, bleef de naald altijd op hetzelfde punt hangen in een kras, waarna de band nog maar één maat speelde en Mick nog maar één zin zong, eindeloos. Nog steeds als ik dat nummer hoor, al is het op de radio of digitaal en jaren later, voel ik de spanning in mijn lijf oplopen als dat punt nadert. De kras zit in mezelf. En het was niet de laatste keer dat dat gebeurde, we zijn immers gedoemd tot herhaling, herhaling – die tijd haal je nooit meer in.
Posted April 19th, 2013 in from the observation deck, from the time capsule.
Ik heb niet veel nodig. Nacht en regen. Klinkers glanzend onder straatlantaarns. Bij ieder licht dat ik passeer ingehaald door mijn eigen schaduw, dat werk. Sigaretten.
Posted April 2nd, 2013 in prozaïek.
Ik ben een slordige vriend. Ze staan en liggen in stapels in de kast, de boeken met bladwijzers al jaren op éénderde, de boeken waarvan ik de rug zelfs nooit brak. Ontelbaar ook de films die ik nooit zag, jaren aan bewegend beeld dat onbewogen wacht. De brieven die ik niet schreef, de liefde die ik niet bedreef – elke eerste stap en laatste adem die je zag, ik weet niet wat je doormaakt, ik weet niet hoe je leeft. Ik ben een slordige vriend. Herken me alsjeblieft nog als ik bel.
Posted March 28th, 2013 in from the observation deck.
Er gaat een beker melk om, ik hoor het vanuit de keuken, het is een heel specifiek geluid. Ik loop naar de kamer, probeer een vloek binnensmonds te houden. Dat lukt niet, niet echt. De jongste kijkt geschrokken, de oudste wijst ongevraagd en haastig de jongste als dader aan. Die ontkent. Wie de menselijke natuur wil kennen zonder zich een weg te moeten hakken door de weelderige wildgroei der beschaving, moet oorlogscorrespondent of kinderoppas worden. Ik schat de hoeveelheid gemorste melk en ga een vaatdoek en een dweil halen. Vaatdoek voor de tafel, dweil voor de vloer, daar zijn regels voor – in ieder geval in mijn hoofd.
Ik hoorde eens beweren dat mannen in deze situatie altijd eerst de vloer gaan dweilen, terwijl de melk – het water, de wijn – nog van de tafel loopt en dat vrouwen juist met de tafel beginnen: bij de bron. Terwijl ik eerst de tafel afneem, lijkt me dit verschil in benadering een goeie verklaring voor de politieke en financieel-economische malaise die onze wereld in zijn greep houdt. Twee vrouwen van drie en zes kijken intussen toe hoe een man van tweeënveertig, inmiddels op zijn knieën, hun rotzooi opruimt – ik ben daardoor, gek genoeg, geneigd te denken dat op een dag alles goed komt.
Maar: meisjes zijn ook maar mensen, geen engelen. Man of vrouw – de melk zal altijd omgaan. En iemand zal moeten dweilen.
Posted March 26th, 2013 in from the observation deck.
Ik heb nooit een boek geschreven. Een lijvige roman, ik zou niet weten hoe dat moet, ik kom nou eenmaal graag ter zake – al lijkt dat niet altijd zo. Ik ben geen verhalenverteller. Mijn droomdebuut is en blijft voorlopig precies dat, dus aan een uitnodiging voor het Boekenbal hoef ik vooralsnog niet te denken.
Ik vind dat niet erg. Had ik maar een boek moeten schrijven. Maar dat schijnt me, naarmate ik er meer en meer over lees, vooral ijzeren discipline te vergen, en die heb ik niet. Of nee: ik heb nog geen verhaal dat ik zó van belang acht voor mezelf en anderen, dat ik het tot vijftigduizend woorden wil oprekken. Geen verhaal, geen discipline – geen roman. En toch raak je als schrijver van dingen nieuwsgierig naar dat Boekenbal. Moderne mythevorming, misschien nog zonder marketingmachine.
Ik stel me voor hoe het zal zijn, de giechelige sfeer van de voorbereiding onder zelfs volwassen mannen daargelaten. De Stadsschouwburg van Amsterdam, Olympus voor één avond. De goden, de halfgoden, hun muzen en mecenassen doen zich tegoed aan de nectar en ambrozijn – van elkaars aandacht, want verder zuipen we gewoon bier en witte wijn tot diep in de nacht, leunen we op elkaars schouders als vrienden, lotgenoten desnoods, vluchtelingen op een vlot in een zee van banaliteit en barbarij, en als we tenslotte het theater worden uitgeveegd blijken ook wij slechts rekwisieten – en dat willen we ook, daar gaan godverdomme onze boeken over – en dan zwalken we lallend door de straten alsof we morgen geen nieuwbouwhuis vol kinderen hebben en eindigen we, als altijd, Daar. Daar slaat het plezier weer om in de vertrouwde weemoed, Daar horen we de stilte, de leegte weer, Daar wordt ons bloedbroederschap zwijgend bestendigd: met tranen in de ogen staren we in de eeuwige vlam op het graf van de Onbekende Auteur.
Als ik tegen het gloren van de ochtend weer bij de parkeerplaats kom, ben ik een schoen kwijt. Waar de Opel stond ligt een pompoen.
Posted March 22nd, 2013 in from the observation deck, gemiste roman.
De lever schreeuwt, de longen lusten alleen nog de gebarsten lucht van verf en cyanide. De ziel hangt te drogen over een keukentrap in het midden van de kamer en het hart – het hart zit tegen de kachel aangekropen, om warm te blijven, de handen over de oren. ‘Maar ach,’ zegt hij hardop tegen zichzelf, ‘een keer een avondje alleen thuis is misschien wel eens goed voor me.’
Hij zegt het elke avond, want hij is een man van gewoontes; zelf noemt hij het liever rituelen. Soms schrikt hij van het geluid van zijn eigen stem in de ruimte als hij de woorden uitspreekt, maar vandaag niet. Hij schenkt zich nog een glas wijn in, steekt zijn tiende sigaret op: je moet luisteren naar je lichaam.
De ziel vouwt hij netjes op, die heeft hij pas weer nodig als ze thuiskomt – morgen, misschien.
Posted February 27th, 2013 in kort verhaal.
In het hoofd van de rechtsbuiten bestond een stadion dat ik niet kon zien. Hij wilde me voorbij en deed heel druk met de bal. Een dubbele schaar, en nog één en nog één, daar had hij duidelijk op geoefend. Het publiek in zijn stadion juichte en deed een wave – ik denk ergens tussen de vale reclameborden van de lokale middenstand en het afgetrapte tweede veld, waar een paar ganzen rond de middenstip scharrelden. Zo lang ik niks deed kon hij me niet passeren, dus deed ik niks. Zijn medespelers werden ongeduldig en schreeuwden om de bal, maar afspelen kon hij ook niet meer zonder gezichtsverlies, het publiek in zijn hoofd werd gek, hij moest het nú laten zien, nu.
Mijn coach likte ondertussen een sjekkie dicht bij de dug-out waar ‘gasten’ op stond en keek naar de lucht. Het ging vandaag in elk geval een keer niet regenen.
Posted February 22nd, 2013 in from the observation deck, kort verhaal.
Ik weet niet meer waarom we over Wall Street liepen, we waren denk ik dronken en verdwaald. Onze band was door de A&R-manager mee uit eten genomen naar een hippe tent waar volgens hem op dat moment veel beroemde mensen kwamen. Die waren er die avond nèt even niet, althans geen beroemdheden die wij kenden. Toen we terug wilden naar ons appartement reed de metro niet meer en moesten we lopen. Het was december. De wind joeg ongenadig door de verlaten straten – het centrum van de financiële wereld was een ijskoude, lege hel van oneindig hoog beton, glas en staal. Ik kan het me zelf niet herinneren, maar Petrushka vertelde me jaren later dat we daar op Wall Street ‘s nachts de ratten uit het riool zagen rennen.
Posted February 22nd, 2013 in from the observation deck, kort verhaal.
Ik ben geboren waar ze het zout uit de aarde halen, op de zandgrond waar tweehonderdvijftig miljoen jaar geleden een zee glinsterde. Ik moet daar altijd aan denken als ik keukenzout koop – zo oud is het spul dat je op de boodschappenband zet. Voor vijfendertig cent ben je de bezitter van een archeologische vondst uit het Perm. Geen geld.
Jozo. Nezo. Op iedere zoutbus stond vroeger dat de inhoud uit mijn geboorteplaats kwam, maar van de winning merkte je daar niet veel. Ja, je ouders kenden mensen die ‘biej ‘t zoalt’ werkten. En zoutboortorens – lukraak in akkers en weilanden gemikte, zwarthouten gebouwtjes die twijfelden tussen boerenstal en kerkje – later vervangen door kleine, groene huisjes die veel minder goed in het landschap passen. Maar er beweegt niets – bovengronds beweegt niets. Het Twentse zout zit diep.
Toch, wie zich één keer de moeite getroost om door het kilometers dikke pantser van zand en gesteente te breken, die spoelt het zout van de voortijdse zee vrij eenvoudig naar de oppervlakte. De tranen uit de oertijd zijn de tranen van vandaag, ze prikken in dezelfde wonden en als ik dood ben wil ik in Twente niet worden verbrand of begraven.
Pekel mij maar. Zie het als een Twents zeemansgraf.
Posted February 17th, 2013 in from the observation deck, kort verhaal.