Voor mijn part

Het komt er op aan de woorden zorgvuldig te kiezen. Ik kan ze elk maar één keer goed gebruiken – ik kan ze herhalen als ik wil, eindeloos herhalen, maar de rivier van de tijd stroomt door en geen woord heeft over vijf minuten nog de betekenis die het nu heeft – of net had – elke geprevelde formule verliest met het verlaten van de lippen zijn macht. En dan schrijven – laffe neerslag van wat ergens, ver, ver weg in mijn botte kop de verwoesting aanricht die ik in al mijn vezels voel, die ik had bedacht – op papier in prachtige dwarreling ontkracht. Ik kan de woorden maar één keer ten volle gebruiken, één kans heb ik om te richten, één kans om te raken – maar jij, de ontvanger, alleen jij voelt wat jij graag wilt dat ik bedoel: een schot hagel in je toch al zware hart – voor mijn part.

Een goede leraar

Zeven uur in de ochtend, het is donker, de trein zweeft richting Deventer, draagt me op handen zogezegd – zoals ik dat zelf niet gauw zou doen maar ik betaal er voor – naar Deventer om te leren leraar te zijn, ik ga een half uur te vroeg zijn, in die tijd kan ik bij wijze van ontbijt nog twee pakjes Gauloises roken en een hap nemen uit de serveerster in de stationskiosk. Achter de kiosk het leslokaal, een geheime passage naar een wereld van jargon en protocol waar Kafka’s honden geen brood van lusten, Ludwig en Wolf noem ik ze, bewakers van mijn eigen Hades, mijn Howl, mijn suprematistische zwarte vierkant – maar misschien steek ik er ook wat van op behalve Gauloises, ik heb er wel wat voor over om een goede leraar te zijn – toen mijn studenten geen flikker uitvoerden omdat ze naar eigen zeggen te weinig te doen kregen, liet ik ze een symbool voor ‘ziel’ ontwerpen. Dat was godverdomme alvast een goede opdracht, de helft heb ik sindsdien niet meer gezien.

Een logisch verhaal

Ik ben geen verhalenverteller. Ik geloof in chaos en toeval, ik zoek geen verklaringen voor de onontwarbare kluwen voorvallen, ontmoetingen en pogingen die ons voortdrijven of terugwerpen, ik weiger er een lijn in te zien – laat staan een logisch verhaal. De oude Grieken waarschuwden de jonge ik over een paar eeuwen heen al voor hubris, en alleen al het besef dat ook zij tevergeefs poogden het blinde lot bestuurbaar te houden maakt nederig. Ik heb de dingen die ik deed naar beste kunnen gedaan en misschien heeft dat me iets gebracht. Maar ik weet niet precies wat ik niet heb gedaan – uit luiheid, angst of onvermogen, die onheilige drieëenheid, of doordat het meeste domweg niet in me opkwam – en ook daarvan zal ik nooit weten wat het heeft opgeleverd, of juist niet. Waar in de onmetelijke kosmos de wetten van de zwaartekracht worden verbogen, zoeken we de verklaring in donkere materie – volgens de hypothese ruim vijf zesde deel van Alles, maar waarvan het bestaan tot op heden niet is aangetoond. Maar waarom zou het iets moeten zijn? Laat het gewoon niks zijn. Laat het de luiheid, de angst, het onvermogen zijn, het blinde lot, het onbewuste nalaten, de inactie, het niet-handelen – alles wat we niet hebben gezien, alles waar we niet aan denken, alles waar we niet aan toe komen, waar we zelfs in onze dromen niet bij kunnen – niets. Donkere materie als vijf zesde deel van ons leven. Dom toeval is een logisch verhaal.

Beloof me

Beloof me dat ik nooit meer drink – of beloof me althans dat ik niet meer drink wat ik dronk, vertel me niet steeds dat ik scherper schreef toen ik nog droomde, dronken van zo veel meer nog dan drank. Maak me niet wijs dat ik een beter mens ben nu het weken vergt om eerlijk te zijn, lieg me liever voor dat het me geen jaren van mijn leven heeft gekost.

Ik snijd met honderdtwintig kilometer per uur achterwaarts door een ijzig landschap, de velden, de akkers, het laatste gebladerte wit van rijp, de voorzichtige, lange schaduwen van een bij opkomst al oude zon. Ik vlieg langs de huizen, de tuinen, bedrijventerreinen met parkeerplaatsen, langs parken en plantsoenen, de mensen, wandelend of op de fiets, over paden, langs hekken – over elk hek, elk pad, elke tuin is nagedacht, elke sloot door iemand gegraven, elke stoeprand, elke tegel, elke steen ooit door een mensenhand op de plek gelegd. Al die kleine ordeningen, ze beteugelen met pijn en moeite de chaos op de eigen vierkante meter, maar in de verzameling ervan raast nog steeds en grijnzend het toeval rond. Het stelt me gerust, ik heb de tijd, de film buiten het treinraam tot draaglijke lengte vertraagd.

Beloof me dat ik niets meer verlang – of beloof me althans dat ik verlangen niet langer met verwachting verwar. Jaag me door de kou, dans me door de dagen, proost af en toe met me op de schitterende chaos en stel niet zo veel vragen.

Heersers

Een roedel jonge honden, wild en hongerig, snel verveeld en klaar om te bijten bij het minste teken van zwakte – en ik, alles behalve een alpha male, in diepste wezen verlegen zelfs, maar nèt te oud om me daar druk over te maken. ‘Ze weten nog helemaal niets,’ was ik gerustgesteld over de eerstejaars studenten Crossmedia Design die ik les ging geven, en: ‘ze willen vooral alles goed doen.’

Ze komen uit China, Maleisië, Singapore, Italië, Duitsland, Bulgarije, Kazachstan, Brazilië, Syrië, Zuid-Afrika, ze verplaatsten hun leven van Beijing, Sao Paulo, Kuala Lumpur en nog zo wat wereldsteden – en vooruit, Ahaus – naar Enschede of all places. Dat hebben ze alvast gewaagd, ik vind het moedig. Nu moeten ze nog de oneindige ruimte van hun studie, hun werk, van hun kijken, maken en denken gaan zien; daar zijn ze heel voorzichtig in, daar zie ik ze dralen.

Niks honden. Rond de tafels in het kale, witte lokaal hangt een kluwen jonge leeuwen, soms geeuwend, onwennig knipperend tegen het licht – maar, in sommige ogen al de blik van heersers over een vlakte die ze nu nog niet op durven.

Onscherpte

Verlies twee seconden je scherpte en je bent tien, twintig jaar verder. Ergens onderweg sneed je, onbedoeld maar toch, twee, of drie, of zeven mensen door de ziel – in de spiegel herken je om de een of andere reden nog steeds je kop, maar in de pijn van anderen pas het kind dat je altijd bent gebleven. En toch zit je hier, aan een hoge tafel op het strand, poten in het zand, en je weet niet waaraan je het verdiend hebt maar je verzint wel iets. Drank en voedsel met uitzicht op zee, je veegt het vet van je kin en heft het glas op elke vergissing waarmee tot nu toe iets beters begon. En soms twijfel je of de toekomst je wel toekomt, tenzij je wat van de ziel terug kunt geven die je in tien, twintig jaar, die twee seconden van onscherpte, bij elkaar gestolen hebt.

Gasterop

Doodsangst op een stikdonkere dijk staat gelijk aan levensdrift – denk ik. Strak tachtig op de klok en mikkend tussen de lijnen, en toch: niet langer verblind, verleid, door koplampen in de achteruitkijkspiegel. Het was een mooi feest, meer dan fantastisch zelfs – maar we mogen niet blijven steken in de van drank doortrokken polderdrek, de zevenmijlslaarzen zijn uit de zuigende zomp getrokken, de klauwen klaar voor nieuwe klei. In het oosten grijnst voorzichtig de nieuwe dag, ik trap het pedaal naar de bodem van de Opel, de 1.6 grimlacht ook en drukt even de stoel in mijn rug. Always crashing / in the same car, klaagt de geest van Bowie uit de speakers, maar ik stel hem gerust: die dagen zijn voorbij. Gasterop!

Het spel met de duizend-en-één regels

De dochters spelen op de camping in het speeltuintje, ze zijn er eigenlijk iets te groot voor, maar ze vermaken zich er uren. Ze gebruiken het als een soort parcours voor rollenspellen, waarvoor met name de oudste continu regels verzint. Zelf noemen ze het waarschijnlijk een game. Op de laatste vakantiedag verschijnen twee Nederlandse broertjes van eveneens zeven en tien jaar in de speeltuin, ze doen mee met het door de meisjes bedachte spel van de dag – iets ingewikkelds met winkels. Het miezert, ze hebben alle vier regenjassen en rubber laarzen aan. De oudste dochter legt omstandig uit hoe het spel gaat, ze verzint het ter plekke. Ik hoor het woord ‘startkapitaal’. Terwijl het winkelspel bezig is en ze rondrennen en zogenaamd dingen van elkaar kopen, blijft ze nieuwe, aanvullende en gewijzigde regels roepen waaraan iedereen zich moet houden. De andere drie kinderen hoor ik af en toe tegenvoorstellen doen, die soms geïmplementeerd worden, meestal in een door oudste dochter nog aangevulde of verbeterde, maar hoe dan ook eigen versie – ze doet het niet om macht uit te oefenen, het gaat vanzelf, het is enthousiasme gekoppeld aan een bijna onnavolgbaar hoog denktempo.

Het maakt de jongens niks uit. Het had eender welk spel kunnen zijn, met duizend regels: ze laten zich door de meisjes alles vertellen, als ze maar in de buurt kunnen zijn – dat is de enige regel die voor jongens telt.

Als het tijd is om te eten, moet de winkelgame afgebroken worden, maar, besluiten ze enthousiast, morgenvroeg gaan ze er mee verder! Als ze met tegenzin uit de speeltuin vertrekken, heeft de oudste van de twee broertjes wel alvast een verzoek voor het spel van morgen. Hij zegt: ‘ik wil dan liever achter de receptie of bij de helpdesk werken.’

Fibonacci, baby

De zonnebloemen op mijn balkon zijn harde fuckers. Ze overleefden de te kleine bak waarin ze te dicht op elkaar staan, eerst ook nog in te weinig aarde. De lange, dunne stengels bogen door onder het toenemende gewicht van de blaadjes, maar de drang naar boven was zo groot, dat ze gewoon steeds weer een bocht omhoog maakten, zodat er nu net boven de aarde vreemde kronkels in de stelen zitten. Van daar af groeiden ze bijna een meter recht omhoog, en meer zat er door die kleine bak ook niet in. Met het afslaan van een aanval van groene bladluizen moest ik ze even bijstaan, maar vervolgens werden de toch al aangedane bladeren op een avond door knikkerdikke hagelstenen kapotgekegeld, in de zwaarste bui die ik in jaren meemaakte. De zonnebloemen bleven overeind, al verdorden sommige doorboorde en gescheurde bladeren alsnog – mooier werden ze er niet op. Maar het enige waar je bij zonnebloemen op zit te wachten, waar je maandenlang al dat werk voor verzet, waar je je op verheugt – de schitterende, grote, knalgele bloemen die de zomer definitief op mijn balkon zouden installeren, zonnig met een diepzwarte kern – die bloemen kwamen maar niet. Knoppen in de top, wekenlang, daar bleef het bij.

Tot afgelopen zondag. Eindelijk opende zich, heel voorzichtig, de eerste bloem. Een mooi moment, al zag het er nog niet erg geel uit, maar dat ging ongetwijfeld nog komen. Nu, een paar dagen verder, is de bloem helemaal open. Het is een beetje een groezelig bloemetje, vaalgeel met zelfs iets te veel verschoten rood. Het valt een beetje tegen.

Misschien zijn er meerdere soorten zonnebloemen, ik weet het niet en ik wil het ook niet opzoeken – zonnebloemen zijn gewoon zonnebloemen, er verandert al genoeg, sommige vaststaande feiten uit mijn jeugd wil ik graag voor de rest van mijn leven bewaren.

Wat ik in de loop der jaren wél heb bijgeleerd over zonnebloemen, is dat de prachtig spiralende pitten in de kern van de bloem geordend zijn volgens een wiskundige reeks. Het is natuurlijk al een genot om naar te kijken zonder die wetenschap, maar laten we zeggen dat de naam van die reeks een soort bonusgenot verschaft. De kern van het vieze zonnebloemetje op mijn balkon is namelijk wél zoals hij hoort te zijn, en elke keer dat ik er naar kijk, fluister ik: Fibonacci, baby! en dan is het toch even zomer.

Curve

Wacht, laat ik het anders zeggen. Het is een schitterende curve, die neergaande lijn – soms wil je hem niet onderbreken, gewoon, om te zien waar hij eindigt. Stopt het bij nul, of glijdt hij langzaam verder in de min? Misschien stel je uit net zo veel noodzaak als nieuwsgierigheid het nulpunt oneindig bij, zodat je de bodem nooit hoeft te zien?
Ja maar, dit is geen dag voor dat soort gedachten, zeggen de geleerden – kijk! het is zondag, de zomer is begonnen, de auto is gewassen, tuinstoel in de schaduw, een koel glas witte wijn! Hoera, godverdomme!
Ze hebben gelijk, de geleerden. Zo slecht gaat het al met al niet, je neemt nog een toastje met zalm en spoelt het weg, je zakt nog wat zwaarder in je stoel. Je bent wel eens rijker geweest, maar nog nooit was je zo wakker; nog nooit wist je zo goed wat je deed – dat je maar wat doet, net als iedereen. Nee, zo slecht gaat het niet met je, de bodem is nog lang niet in zicht.
Maar wacht – voordat je denkt dat het over mij gaat: wie zegt dat? De geleerden? Ze weten niks! Niks weten ze, en ik maak ze niet wijzer. Ik heb geen nulpunt, ik bén het, ik kijk die schitterende curve van je na, de afgrond in. Met mij gaat het goed. Ik heb mijn eigen klauw klem om mijn strot en laat niet meer los.