Net echt

Ik zie mezelf aan de overkant staan, wachtend in een winkelruit. Tussen mij en mezelf een drukke straat, auto’s en fietsers haasten zich beide kanten op. Ik sta te roken aan de stoeprand, mensen die achter me langs lopen zie ik aan de overkant door de winkel spoken. Mijn spiegelbeeldige ik ziet alles en iedereen precies de andere kant op lopen, rijden, fietsen – richting is relatief. Hij ziet me staan wachten, hij weet niet op wie of waarop, met m’n nette jasje, cowboylaarzen, kapotte broek en denkt: net echt.

Grip

In de loop der tijd is mijn huis langzaam uit het lood gezakt, lijkt het. Het staat niet zichtbaar scheef, het is subtieler – het huis is precies zo schuin dat het stof zich onder de bank verzamelt, alle losse papieren aan de linkerkant op mijn bureau terechtkomen, vuile kleren een bergje vormen in de badkamer en de afwas zich rechts op het aanrecht opstapelt. Ik kan stofzuigen, opruimen en wassen wat ik wil, het komt steeds terug – op vaste plekken, dat wel, het voordeel van een licht hellend huis. Ik klamp me vast aan die huishoudelijke taken, zo glijd ik zelf niet af. Maar grip op de situatie is uiteraard wat anders.

Verf

Het beeld doemde op uit het niets. In een grote, lichte ruimte, een atelier, zag ik mezelf aan een schilderij werken. Een enorm schilderij van een grove den, in zwart, wit en grijs, de verf dik op het doek. Ik bedacht dat ik zo’n canvas zelf zou moeten opspannen op een zelfgetimmerd frame, ik dacht aan gesso. Het schilderij veranderde in een tekening, ook al enorm, en ik vroeg me af waar ik dat formaat papier zou moeten betrekken. Daar kwam ik niet zo snel uit, en de tekening werd weer een schilderij. Achter me in de ruimte stond een tafel of bureau met daarop mijn macbook. Af en toe liep ik er heen om iets te schrijven. Vanachter het bureau bekeek ik het enorme schilderij rustig van een afstandje. Ik ben een dromer, ik weet dondersgoed dat waar ik van droom vaak een niet bestaanbare werkelijkheid is. Dit was anders – dit was waar. Het visioen duurde een misschien maar een minuut; in die tijd kun je een werkdag kwijt, en zelfs een heel leven – een mooi en, voor even, bedrieglijk eenvoudig leven. Ik draaide de douchekranen dicht, schudde het water en de beelden van me af en stapte onze gedeelde wereld weer binnen. Maar er was iets veranderd, er was een grens opgeheven, want de geur van verf rook ik nog steeds.

Het Midden-Oosten

Ik geef het grif toe: als net voorbij Holten het landschap zwaarder op mijn gemoed begint te leunen, dan ben ik bijna thuis. Salland is mooi, Twente is mooier. Het Achterhoekse landschap is misschien wel het mooist, maar doet domweg niet met mijn ziel wat het Twentse er mee doet: het groen is er donkerder groen, de lucht is er dikker en van een donkerder blauw. Ik voel me er thuis, dus wil ik er heen – als ik er ben, dan wil ik er weg: noem het maar een conflictgebied. Dat het in het midden van Oost-Nederland ligt is een mooi toeval.

Mooi en enigszins angstaanjagend

Ik zat in een tuinstoel op het iets verhoogde, betegelde terras van het vakantiehuisje en loste langzaam op – tot ik niets was dan een lichaam in een tuinstoel op het iets verhoogde terras van een vakantiehuisje. Ik luisterde naar de zeewind in de bomen en keek naar het traag verschuivende en verkleurende avondlicht op het grasveld en de wilde bloemen langs de slootkant, zag hoe de eerste sterren door de lavendelblauwe hemel prikten, steeds meer gezelschap kregen, tot het nachtelijk canvas bezaaid was met ontelbare, verre kampvuren. Nooit was de ambitie, al die flauwekul, verder weg dan nu. Ik wilde, ik hoefde niets anders dan dit. Ik ging op in het verglijden van de tijd en wist voor het eerst:

Ik ben mezelf genoeg.

Ik ben genoeg.

Ik ben.

Dat was mooi, maar ook enigszins angstaanjagend. Wat als ik nooit meer iets wilde maken? Het kon me niks schelen. En nog steeds niet: dit stukje schreef ik tegen beter weten in, zoals ik altijd alles tegen beter weten in heb gedaan, en waarschijnlijk zal blijven doen. Je moet toch wát, als niets hoeft.

Hoog

Hoog boven de bomen, zwanger van zomer, de takken bloesemzwaar, hoog boven de duiven en kauwen, te dom en te kien om nog te jagen, ver boven de meeuwen, die statig zeilend geilen op vuilnis en patat – hoog boven de huizen, drie hoog, vier soms of vijf, ver boven het geruis en geraas van remmen en optrekken en stationair bij stoplichten, van brommers nerveus over de kruising en het uitgelaten gegil van meisjes op fietsen en van sirenes in de verte in baksteen gesmoord – hoog boven de tegels, de boeiboorden, de boomtoppen, ver boven de mensen, de dieren – hoog boven het lawaai van de stad: twee roofvogels. Tegen volle witte wolken zweven ze trage, wijde bogen, soeverein. Ze dragen met gemak elke betekenis die ik aan ze wil geven. En het mooiste was: ik hoorde ze eerder dan dat ik ze zag.

Brandschoon

We hebben ineens, na jaren, een handzeep die naar bloemen ruikt. Een verschrikkelijke geur. Ik wil dat handzeep naar handzeep ruikt en niet naar iets anders. Als ik bloemen wil ruiken, koop ik bloemen. Het gemengde boeket dat nu op tafel staat ruikt minder naar bloemen dan de handzeep. Eén van de bloemensoorten in de bos, ik weet niet welke, verspreid de geur van smeulend papier. Elke keer als ik de kamer binnenloop, denk ik dat er brand is. Dan bedenk ik weer dat het de bloemen zijn en als ik aan bloemen denk ruik ik eigenlijk alleen nog mijn pas gewassen handen.

Zeg

Zeg gewoon wat je te zeggen hebt – houd het voor je. Keer daarna alle zinnen binnenstebuiten, vervang alle woorden door andere, betere, en zwijg in alle talen behalve de mijne.

Een uitgesteld vallen

Eind goed, al goed. Wat we al weten moet soms opnieuw geleerd: beuk het jukbeen met kracht tegen een gietijzeren paaltje en de huid splijt gewoon open – paal wint, man druipt bloedend af, fiets mee aan de hand. Die goeie ouwe fiets, waarvan het voorwiel spontaan en met een vloeiende boog een inwaartse spiraal inzet, de zintuigen mee in een prachtige pirouette en de wetten der natuur meedogenloos – straat kantelt, middelpuntvliedende kracht straft karakterzwakte keihard af. Stoeptegels, paal, jukbeen, vlees barst. Meer bloed dan spijt. Op dezelfde fiets naar het feest toe nog vol goede voornemens, na afloop alleen nog maar vol. De macht over het stuur was ik al jaren kwijt, het wachten was al die tijd op het vallen.

Ik bedoel

Twee uur ‘s nachts. Ik heb de fietsen binnen gezet, de twee sloten van de voordeur op slot geknarst, de kachels in sluimerstand gebracht. En dan komt het. Ik knip de laatste lamp uit. Een paar tellen lang bevind ik me in een donkerder dan donker niets, zonder links of rechts, onder of boven, ik voel zelfs de vloer niet waarop ik sta, er is geen zwaartekracht en geen zweven in dit vacuum, het is vergetelheid bij volle bewustzijn en het is beter dan drank, beter dan dromen. Een paar tellen, dan vormt zich om me heen weer de woonkamer, de werkelijkheid in nauwelijks waarneembare contouren. Ik beweeg me met achteloos gemak door het donker, een vloeiende boog om de plek waar ik de eettafel weet, naar de kamerdeur, feilloos, blindelings door de gang. Twintig jaar woon ik hier. Het huis weet alles van me. Het vormt zich naar mijn gedachten, hier zou ik zelfs in mijn donkerste nacht niet kunnen verdwalen – bij daglicht, tussen het werk en de mensen, raak ik mezelf gemakkelijker kwijt. Ik bedoel, misschien wordt het tijd dat ik verhuis. Naar de nacht.