46

Ik kwam ze veel tegen. Vroeger op school, later bij het uitgaan, op het werk, in de stad, overal eigenlijk. Vreemde wezens die op mensen leken, die zich gemakkelijk bewogen en zelden zwegen, die hun eigen bestaan en aanwezigheid als volkomen vanzelfsprekend beleefden. Ze leefden in een wereld die aardig op de mijne leek, maar die desondanks voor mij gesloten bleef, alsof ik hem door glas bekeek. Ik heb er lang over gedaan, veel te lang misschien en ik weet niet of ik er al ben of ooit helemaal zal komen, maar nu brandt de sleutel soms in mijn zak – ik heb in zesenveertig jaar toch wat geleerd. Als ik me in de wereld der vanzelfsprekenden begeef, zal ik doen alsof ik er altijd al welkom was – de waarheid blijft dat het eeuwig zal voelen of ik me onrechtmatig toegang verschaf.

Nu kun je zien

Nu kun je goed zien hoe weinig er maar nodig is. Een paar grote woorden en een handvol halve. Je lacht die korrels zout in het ragfijne raderwerk weg, denk je, maar dan, ineens, staat de klok stil. De taal van de machtelozen is krachtiger dan het machteloos gebazel van ons achtelozen, we staren ons sneeuwblind op het weldadige wit tussen onze regels en zien niet dat het intussen inktzwart is ingekleurd. En de wijzers van je kapotte klok steken de middelvinger naar je op en dan pas heb je door dat het al lang nacht is. Nu kun je goed zien hoe veel er eigenlijk nodig is.

Nepgeld

The best lack all conviction, while the worst
Are full of passionate intensity.
(William Butler Yeats, uit: The Second Coming, 1919)

Ik kwam gisteravond met de trein terug in Den Haag en haalde mijn fiets op uit de bewaakte fietsenstalling van station Hollands Spoor. Het was laat, mijn fiets was een van de weinige die er nog stonden. Met de fiets aan de hand stopte ik voor het kantoortje van de beheerder om te betalen, hij kwam naar buiten. Terwijl ik hem de bonnetjes gaf, haalde ik uit mijn broekzak een hele handvol muntgeld naar boven en viste er een euro en dertig cent uit. ‘Ik ben vorig jaar zomer naar Sardinië gefietst,’ begon hij. ‘Toen had ik ook van die winkelmuntjes bij me.’ Het duurde even, maar ik begreep dat hij de Albert Heijn-munt tussen mijn kleingeld had gezien. ‘Op Sardinië ging ik naar de Grot van Poseidon. Heel mooi. Daar gooien mensen muntjes in het water voor Poseidon, en ik heb toen in plaats van echt geld een paar van die winkelmuntjes in het water gegooid. Ik weet niet of Poseidon er blij mee was,’ grijnsde hij. Ik moest ook lachen. ‘Och,’ zei ik, een beetje overvallen door zijn verhaal. Hij keek ineens weer ernstig. ‘Misschien heb ik hem wel kwaad gemaakt, misschien heb ik wel een of ander kosmisch evenwicht verstoord, ik weet het niet.’ Beelden van alle ellende van de afgelopen tijd, van oorlog en aanslagen, van vluchtelingen en haat, schoten me plotseling door mijn hoofd, maar ik stelde hem lachend gerust dat dat wel mee zou vallen. Ik bedankte hem voor het verhaal en liep met de fiets naar de uitgang. Vlak voor de uitgang hangt een grote klok, het was precies één minuut voor twaalf en ik bedacht me dat we allemaal nog steeds veel te veel nepgeld in het water gooien.

Zeevlam

Ineens, vanuit het westen, drijven wolken laag de stad in. Zeevlam. Dikke slierten waterdamp tasten traag langs dakranden, gevels, kozijnen, dempen het geluid tot alles klein en dichtbij klinkt. De tijd komt tot stilstand, drukte van vijf minuten geleden lijkt een grijs verleden, wat verder weg is lost op in vage contouren en verdwijnt. Een versimpelde versie van de werkelijkheid, een die meer recht doet aan ons waarnemingsvermogen – we zien de helft van wat we zien niet, of niet meer. En de toekomst gaan we op de tast tegemoet, alles nog oogverblindend blanco – wat je wél ziet verzin je zelf, o fata morgana, aan het water dat je in de verte ziet branden warm je je hart en je handen. Ik steek een sigaret op en probeer me voor te stellen wat ik over een week, een maand, een jaar aan het doen ben, maar op het witte doek verschijnt geen beeld. Misschien is het vandaag gewoon mist – maar ik woon vijf kilometer van de kust en zeevlam is een veel mooier woord.

P.S.

Later, veel later, zie ik de verlichte ramen der nachtbrakers weerspiegeld in het water op de daken, en de katten sluipen tevoorschijn uit hoeken en gaten en sissen en grommen en vechten om te bepalen: wie is morgen nog kater.

Uitstel

Een tintelende herfstochtend, het blauw uit duizend kleuren, de zon zo laag nog dat de kou aan de vingers knaagt. Ik fiets, ik stroom mee in het verkeer van wakkere mensen op weg naar hun werk en stel me voor hoe ik straks, als ik weer aan mijn bureau zit, bergen verzet. Ik bedoel, er moet brood op de plank, en er moet muziek worden gemaakt, albums vol, er moet nog een omvangrijk oeuvre getekend en geschilderd worden, verhalen moeten geschreven worden, met ziedende vaart – en deze ochtend draagt de belofte in zich, de belofte die ik waar kan maken, móet maken. Ik heb een te dunne jas aangetrokken, maar deze kou doet me goed, ik voel de zon nu op mijn rug en mijn schaduw schicht als een vis in het water voor me uit, en het enige wat ik wil is blijven fietsen, blijven fietsen tot het te laat is om nog iets te doen – zodat de belofte vandaag mooi blijft, het falen voor één keer uitgesteld.

Werk

Het is maar werk, het is uiteindelijk maar werk – maar zelfs werk is liefde, of wordt dat vanzelf als je er maar lang genoeg mee bezig bent, als je het wel eens uit de grond van je hart hebt gehaat, als het je niet – zoals vaak – volkomen koud laat, en die liefde is godverdomme geen technische exercitie, geen lijst met één voor één af te strepen onderdelen – dat werk is een heilig weten, kennen, voelen en vooruit willen, het is een gillende chaos waarvan het werkelijke begrip alleen met liefde en pijn te vinden is in de uiterste punten van je synapsen, daar waar het elektrisch is en eeuwig jong, dat werk, die liefde, dat gloeiende rustpunt in een altijd razende en rinkelende kermis die – mind you – met geen PowerPoint te beschrijven is.

Lente

Half september, het hoort herfst te zijn. De kastanjebomen kleuren al rood en roestbruin, maar ik zit in hemdsmouwen buiten in de nacht, pas nu koelt het eindelijk af na de zoveelste zomers hete dag. De gedachten drijven terug naar half mei, toen het ook zulk weer was en ik vrijheid voelde en zeker was van alle plannen die ik al jaren met me meezeul. Alles moest anders – beter, scherper, gedurfder – maar de dagelijkse werkelijkheid is zo weerbarstig als de droom hardnekkig, de keuzes werden in de herfstige zomer minder hard, en nu is het half september en is er nog niets veranderd. Ik neem een voorschot op de volle maan en schenk nog een keer in, en nog een keer, net zo lang tot ik hoog boven alles en iedereen onder de oppervlakte zweef. Er is heel veel veranderd de afgelopen vier maanden – maar vooral ik, en het licht waarin ik de dingen zie. Het is half september, de lente is begonnen en het maanlicht brandt aangenaam koel op mijn huid.

Een warme dag

Ze is nog jong, ze heeft haar kind op de arm, ik kijk, zij kijkt. Ze knuffelt het kind, een jongetje, kijkt met haar wang tegen zijn haar gedrukt nog een keer, nadrukkelijker nu, draait zich om en verdwijnt achter het lange, lichtgroene gordijn in haar open keukendeur. Ik blijf kijken. Het gordijn bolt af en toe naar buiten door de wind, ik zie een fractie van een lege keuken.

Oogst

Op de laatste dag van de oogstmaand dronken ze champagne. Ze proostten op zichzelf en wat ze hadden bereikt, in hun glazen tintelde voorzichtig het geluk. De opbrengst van een jaar hard werken was nauwelijks waarneembaar, alleen zij zagen hem, weerspiegeld in elkaars ogen. Je kunt er niet van vreten, wisten ze, maar misschien wel van leven – soms is de belangrijkste oogst het nieuw te ontginnen land.